Op deze pagina artikelen over kunstenaars met wie Kint mogelijk (Hogerwaard) of voorzover bekend geen of indirect contact heeft gehad (via Jeanny Couperus met de moeder van Haasse via de Muziekschool van de M.t.B.d.T.).

Reinhart Gerrit Crevecoeur
(1867-1934) was sinds 1890 stadsdirecteur van de muziek in Enkhuizen. Als concertorganist verzorgde hij in de 20er en 30er jaren recitals voor de radio vanuit de Bavo in Haarlem. Hij had een grote schare leerlingen, en heeft Kint om niet solfège, algemene muziekleer en piano/orgelles gegeven en het jonge talent als mentor bijgestaan. Kint heeft zijn eerste gedrukte grote compositie, de 'Fantasie over Een vaste Burg is onze God' voor orgel "Aan mijn vriend R. G. Crevecoeur" opgedragen. Crevecoeur componeerde gebruiksmuziek voor zijn plaatselijke besognes maar hij had er geen gevoel voor. Het zijn houterige, onhandige stukken. Crevecoeur is zijn hele leven aan de Noorderhavendijk in Enkhuizen blijven wonen. Toen hem door Wouter Hutschenruyter eens gevraagd werd (dat was waarschijnlijk in 1911), waarom hij zich met zijn talent niet in een grotere plaats had gevestigd, antwoordde hij, zoals zijn zoon Bas het formuleerde, “ik heb verkozen een leiderschap op mijn gebied in een kleine plaats boven het zijn van een van de velen in een van de belangrijker muziekcentra”.

Gé van Doornik (1892-1959) is altijd nauw met Kint bevriend geweest. Hij woonde 'bij Kint om de hoek', aan het Venedie in Enkhuizen, en begon vier jaar na Kint, in 1910, in Amsterdam muziek te studeren. Evenals Kint werd hij violist van zijn vak. Daarnaast liefhebberde Van Doornik in de beeldende kunsten, evenals Kint, die potlood en penseel echter spoedig terzijde gelegd had. Nadien zwierf hij door Europa, woonde 1927-1932 in Parijs en keerde in 1932 voorgoed naar Amsterdam terug. Daar maakte hij naam als vioolbouwer en was in 1940-1945 actief in het verzet.

Dick Greiner (1891-1964) was een achterneef van Kint. Een aangetrouwde achterneef, want Philip Greiner (1818-1910, de derde echtgenoot van Kints grootmoeder van vaderszijde (Krelisje Kint), was de stiefvader van Pieter Kint, Cor's vader. Greiner ontwierp de unieke omslagen voor Kints Prélude pastoral voor orgel en Sérénade voor viool, die in vroeger jaren door liefhebbers van Kints muziek – vooral in de orgelwereld – met zijn kunst geassocieerd werden en sinds 2005 de Kintuitgaven van Boeijenga sieren. Greiner was een van de ontwerpers en architecten wier werk nauw verwant is met de Amsterdamsche School of simpelweg daartoe gerekend wordt. Zijn naam is vooral verbonden met de Brink en omgeving in Betondorp (Amsterdam, de bibliotheek heeft sinds 1972 monumentstatus), en met het Amsterdamsch Muzieklyceum aan het Albert Hahnplantsoen (1926), dat in 1973 afgebrand is.

Frans (François) Hogerwaard (1882-1921, Prix de Rome 1910) is – wat mij betreft zonder twijfel – de meest avontuurlijke en originele van de schilders aan wie hier aandacht geschonken wordt, die vooral kalme landschap- en zeeschilders waren. Lussenburg is de uitzondering, hij schilderde woeste zeeën met schepen en opvarenden in nood. Wie van hun zou zelfs maar op het idee gekomen zijn, een bezwijkend paard in een stierenvechtersarena, vier voortgejaagde afgebeulde trekezels of de bewegingen van een groepje spelende zigeuner­muzikanten uit te beelden? Het is de moeite waard afbeeldingen van Hogerwaards werk in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift te bekijken. Martin Monnickendam (1874-1943) noem ik in dit verband ook, al figureert hij niet onder de hier besprokenen. Het onlangs prachtig uitgegeven boek 'Hommage aan Martin Monnickendam' bevat een keur van reproducties.
   Hogerwaard heeft voorzover bekend nooit contact met Kint gehad. Maar de mogelijkheid is zeker aanwezig, bijv. omdat Hogerwaards celloleraar Lingeman samen met Kint in het Concertgebouworkest zat. Ook is de kans reëel dat Kint en mensen in zijn omgeving zijn ets Czardas (die men ook in betere cafés en restaurants aantrof) of eerder nog de Kreutzer-Sonate van Lionello Balestrieri (1872-1958) aan de muur hadden hangen. Half Amsterdam-Zuid moet een reproductie van de Kreutzer-Sonate, ook bekend als 'Beethoven', in kleur of zwart-wit en in allerlei formaten, aan de muur gehad hebben, te oordelen naar de vloed van reproducties die na de oorlog op het Waterlooplein en in de kunsthandel te koop werden aangeboden. Een oud-leerling herinnerde zich dat in Kints woning aan de Amaliastraat een dodenmasker van Beethoven hing, juist zoals op de Kreutzer-Sonate, donkerbruin, bijna zwart. Het kan van Lussenburg geweest zijn, die er een aantal gemaakt heeft.
































Cor Kint speelde in 1938-39 tegelijk met Rosa Spier in het Rococo-Octet, een K.R.O.-ensemble o.l.v. Guus Jansen. Hij heeft haar bij Jansen geïntroduceerd, meen ik te weten. Rosa Spier is Cassandra in het gedicht Ik zag Cassandra in 't Concertgebouw van Hella Haasse. Nog geen zes uur voor de Duitse inval in Nederland beëindigde Hubert Cuypers in het Concertgebouw van Amsterdam de uitvoering van zijn declamatorium De Cracht van 't Landt bestaedt, met Rosa Spier op het podium in het orkest, maar zonder Hella Haasse in de zaal. Haasses aanwezigheid is door R. Ederveen in Rosa Spier. Weg van de harp (2011) gesuggereerd, maar is heel onwaarschijnlijk. Dat concert, waarbij het publiek na afloop het Wilhelmus begon te zingen, heeft op de aanwezigen zo'n diepe indruk gemaakt dat Haasse, was ze erbij geweest, er ongetwijfeld over geschreven zou hebben. Maar het gedicht is gedateerd 1939. De moeder van Hella S. Haasse, de pianiste Käthe Diehm Winzenhöler, deed in 1914 aan de Muziekschool van de M.t.B.d.T. te Amsterdam eindexamen. Jenny Couperus, de latere echtgenote van Cor Kint, was een van haar medeleerlingen.

Jacobus Gerardus Veldheer (1866-1954) was bekend van zijn houtsneden, waarvan in Nieuwenkamp en Veldheer, Oude Hollandsche steden aan de Zuiderzee (1897), en in Veldheer en Tuyn, Oude Hollandsche dorpen aan de Zuiderzee, (1900) een aantal verzameld is. Tamson heeft vanaf 1 mei 1935 tot zijn overlijden in 1939 op Nieuwenkamps woonschip en drijvend atelier De Zwerver gewoond. Dit vaartuig, gebouwd 1901, lag na verre reizen sinds 1930 in de Vecht bij Over-Holland tussen Nieuwersluis en Breukelen en wordt vanaf april 2011 in de Museumwerf Vreeswijk gekoesterd. Voor W.O.J.N. (Wijnand) Nieuwenkamp (1874-1950) zie de pagina Tamson.
  Paul van Dam tekende, etste en maakte ook linosneden, waarover hij ik meen in 1925 voor de fa. Talens een boekje heeft geschreven. — Eerder had in 1914 Herman Hana (1874-1952) al Het stempelboekje geschreven. Hana maakte daarin aanschouwelijk hoe men door simpele stempeltechniek ritmische patronen van geometrische figuren kon maken.
Veldheer en van Dam hebben beiden een boek van Alie van Wijhe-Smeding geïllustreerd.

Van Cornelis Vreedenburgh (1880-1946) wordt op deze site onder Schilders / W. B. Tholen een schilderij getoond waarop Tholens schilderboot de Eudia afgebeeld is, de enig bekende afbeelding ervan in kleur. En wat voor kleur! Op zijn Gezicht op de Munt in Amsterdam (pagina Tamson afb. 27c) is de kleurstelling wel bijzonder geslaagd. Onovertroffen is makkelijk gezegd, maar bedenk eens een treffende karakterisering van de manier waarop Vreedenburgh de figuren op de Doelenbrug in het vrolijke scherpe licht van een mooie voorjaarsdag in de waziger contouren van de omgeving plaatste.

Al de hier genoemde Nederlandse beeldend kunstenaars maakten deel uit van wat wel de Tweede Gouden Eeuw in Nederland genoemd wordt (1890-1940, een halve eeuw, toegegeven, maar tegenwoordig gaat alles sneller). De benamingsaansluiting bij de eeuw van de VOC kan als ongelukkig beschouwd worden, maar de Tweede Gouden Eeuw zal het nepgoud van de beschamende Eerste op den duur wel doen verdoffen). De teken- en schilderkunst, de architectuur en de litteratuur kwamen destijds in ons land tot grote bloei. Begrippen als Symbolisme, Nieuwe Kunst, Amsterdamse School, Luminisme en Functionalisme herinneren er aan.
   Muzikale scheppende kwaliteit was daarentegen bijzonder schaars in Nederland, en dat bleef zo na 1940.



Terug naar boven