-----


Crevecoeur heeft niet zijn hele leven in Enkhuizen gewoond. Toen hij ongehuwd in 1892 van Rotterdam naar Ehz kwam was hij eerst kostganger bij  banketbakker Simon(?) Bok in de Westerstraat (zie S. Messchaert–Heering, Van Koopmansstraat tot Nieuwmarktspijp (Enkhuizen 2001). Dit pand lag aan de zuidzijde. Pas na zijn huwelijk vestigde hij zich aan de Noorderhavendijk, waar hij de rest van zijn leven is blijven wonen.


Reinhart Gerrit Crevecoeur is geboren 11 aug. 1867 te Rotterdam, overleden 5 oct. 1934 te Enkhuizen. Hij was een zoon van Bastiaan Crevecoeur, geboren 31 dec. 1835 te Rotterdam, kantoorbediende, en Johanna Dorothea Brandse, geboren 20 april 1832 te Rotterdam. Op 18 febr. 1892 trad hij te Rotterdam in het huwelijk met Margaretha Lindijer (onderwijzeres, 17 juni 1868 te Rotterdam - 27 april 1955 te Utrecht).
    Cor Kint kwam 9 jan. 1890 ter wereld in een provinciestadje. In zijn geboortejaar begon daar met de komst van Reinhart Gerrit Crevecoeur de opbouw van een zeldzaam bloeiend en goed georganiseerd muziekleven. “Hier is een muzikaal centrum ontstaan, zoals slechts zelden in plaatsen van gelijke grootte of zelfs groter, mogelijk was”, aldus S. Goos tijdens de plechtige uitvaartdienst op 8 oct. 1934 na het overlijden van Crevecoeur op de vijfde october. Crevecoeur is gedurende ruim 44 jaar in Enkhuizen actief geweest. Precies een half jaar na Kints geboorte gaf hij zijn eerste pianoles, op 19 juli zijn eerste orgelconcert in de Wester, vier dagen later soleerde hij als pianist. Hij werd actief als dirigent en nam deel aan het plaatselijk kamermuziekleven. Nog in de twintiger jaren speelde hij geregeld samen met Jo Gramberg (alle vioolsonates van Beethoven) en incidenteel met Cor Kint (de Francksonate).
    Op 31 aug. 1934, na een beiaardconcert, klom hij naar beneden en zei stug “nou kan ik niet meer”. Een maand later overleed hij aan leverkanker met perforaties.
    Crevecoeurs vader was procuratiehouder bij een graanhandel, en kerkelijk als ouderling en evangelist zeer actief. Hij zag zijn zoon liever in de handel gaan, maar uiteindelijk mocht Reinhart toch in de muziek. In de familie is overgeleverd dat hij – o schande – gedurende zijn studietijd in het koor van de Rotterdamsche Opera had gezongen, als bijverdienste. Later schreef ‘de oude Bas’ teksten van o.a. een Kerst- en een Paascantate voor zijn zoon.
Reinhart genoot zijn opleiding aan de Rotterdamsche Muziekschool van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, en wel voor piano van C. van de Sandt en F. Gernsheim, voor harmonie van Th. Verhey, voor contrapunt van F. Gernsheim en voor orgel van S. de Lange Sr. en H. M. van 't Kruijs. Op zijn eindexamen speelde Crevecoeur de B–A-C-H van Liszt : Orgelbespeling in de Groote Kerk, Vrijdag 6 Juni 1890, des namiddags ten half drie ure, door de leerlingen der Orgelklasse (onder leiding van den heer M. H. VAN 'T KRUIJS) van de Muziekschool der afdeeling Rotterdam van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Slotnummer : PRAELUDIUM en FUGA over B.A.C.H. van F. Liszt, gespeeld door den heer R. G. Crevecoeur.
   Op 1 maart 1888 werd hij als organist aan de Prinsenkerk te Rotterdam aangesteld. De examinatoren bij het vergelijkend examen voor die functie waren J. B. Litzau en M. H. van 't Kruijs. Maar Crevecoeur wilde weg uit Rotterdam en solliciteerde de 30ste nov. 1888 aan de Groote Kerk te Edam. Zonder succes, maar Crevecoeur bleef solliciteren. De 27ste mei 1890 nam hij deel aan het vergelijkend examen te Enkhuizen voor de positie van organist aan de Westerkerk aldaar. Als vrij nummer speelde hij de Fantasie en Fuga in g van Bach. De 12e juni 1890 ontving Crevecoeur zijn benoeming tot organist der St. Gommarus- (Gommers-) of Westerkerk te Enkhuizen. De 17e juni kreeg hij eervol ontslag in Rotterdam, nam de 29e afscheid en vestigde zich 1 juli als organist en muziekleraar te Enkhuizen. Toen hem door zijn voormalige medeleerling aan de Rotterdamsche Muziekschool Wouter Hutschenruyter eens gevraagd werd (dat was waarschijnlijk in 1911), waarom hij zich met zijn talent niet in een grotere plaats had gevestigd, antwoordde hij, zoals zijn zoon Bas het formuleerde, “ik heb verkozen een leiderschap op mijn gebied in een kleine plaats boven het zijn van een van de velen in een van de belangrijker muziekcentra”.

Op 9 januari 1890 zag Cornelis Kint het levenslicht te Enkhuizen. In datzelfde jaar 1890 vestigde Reinhart Gerrit Crevecoeur zich in Enkhuizen, waar hij tot zijn dood in 1934 werkte als organist van de Westerkerk, "stadsbeyardier", directeur van Toonkunst en andere ensembles, als leraar – kortom, hij was de plaatselijke muzikale autoriteit en de centrale figuur in de ontwikkeling van de jonge Cor Kint. Crevecoeur, geb. 1867 te Rotterdam, studeerde aldaar aan de Muziekschool van Toonkunst orgel bij S. de Lange sr. en H. M. van 't Kruys, piano bij C. van de Sandt en F. Gernsheim, harmonie bij Th. Verhey, en contrapunt bij Gernsheim.
   De eerste muzikale geluiden die het kind Kint vernam, waren de klanken van de Enkhuizer Hemony-carillons. Zijn begaafdheid werd al vroeg ontdekt en hij kreeg viool-, fluit- en harmonieles van Jan Piet Roda.
Crevecoeur was een onvoorstelbaar harde werker. De dagelijkse arbeid bestond uit lesgeven, studeren, repeteren, concerteren – hij werd ook buiten Enkhuizen vaak gevraagd – en arrangeren/componeren. Wat dat laatste betekent moet men zich voorstellen : schetsen maken, netschrift vervaardigen, daarvan kopieën maken, koor- en orkestpartijen uitschrijven, enz. Voor Crevecoeur waren vier uren nachtrust eerder regel dan uitzondering, en als hij zich de broodmaaltijden niet dikwijls tijdens het lesgeven in de muziekkamer had laten brengen, was er nog minder van slapen terechtgekomen.

Ook ket broekemannetje Kint begon hard te werken op zijn viooltje. Hij mocht al spoedig op de z.g. Kinderconcerten van Toonkunst als een van de "jonge Executanten" of "Privaat-élèves" in duo's en trio's optreden. Toonkunst Uitvoering door de Leerlingen der Zangschool, Woensdag 1 maart 1899, Enkh Crt 3 maart "Eenige piano en vioolsolo's ; 24 Jan. 1900, Enkh Courant 26 Jan 1900 "eenige jonge Executanten Het piano-, viool- en violoncelspel mag verdienstelijk worden geacht. Vooral het Duo (op. 15 No. 1 C-dur) voor twee violen van Ch. Dancla en het Trio (op. 48 D-dur) voor twee violen en violoncel van J. Pleijel deed ons hooren dat het onderwijs in goede handen is en de leerlingen aanleg bezitten. Wanneer Onderwijzer èn Leerling op deze wijze voortgaan dan mag hier iets goeds worden verwacht. Onder leiding van Crevecoeur speelde hij op 17 mei 1900 mee in het orkest dat "Erlkönigs Tochter" van Niels Gade begeleidde. Acht dagen later schreef Hermann Kernkamp in de Enkhuizer Courant : “Hulde aan de begeleiding – wat was het aardig zoo'n klein kereltje flink te zien meestrijken aan den vioollessenaar”. Waarschijnlijk zat hij daar naast zijn leraar Roda. Op 23 jan. 1901 speelde Cor al een solo. Op 25 jan. lezen we in de Enkh. Crt. : “Den jeugdigen violist komt een woord van lof toe. Hij legde een groot talent aan den dag”. Dezelfde krant op 21 mei n.a.v. de uitvoering door de Afdeelings-Zangvereeniging van Toonkunst op 18 mei 1905 in het Nutsgebouw : “In 't laatste nummer voor de pauze gaf ons de jongenheer C. K. alhier met veel talent te hooren 't concert op. 10 van E. Spies. Het losse levendige en toch rustige spel van dezen jeugdigen violist was werkelijk bekoorlijk en doet zijn leermeester den Heer Togni jan. 1905 dus te Amsterdam alle eer aan”. VIOOL: de Jongenheer C. K. (alhier). Op 2 maart 1906 : “Groote aandacht trok het vioolconcert [van Pietro Nardini] met pianobegeleiding, door den jongeheer C. K.”.
In deze tijd zijn Cor Kint's eerste composities ontstaan. Curieus is dat de jonge toondichter, in het besef dat Crevecoeur een van zijn scheppingen misschien wel zou willen uitvoeren, de anonimiteit tegenover zijn plaatsgenoten trachtte te bewaren door ze onder pseudoniem de wereld in te sturen : “muziek van Arnold Carelli”. De Romance voor viool en piano “opgedragen aan Mej. Rika Blom” is al een rijpe compositie, die laat zien hoe goed Kint zich wist te bewegen in het grensgebied tussen de betere salonmuziek en de serieuze muziek.

Naast de grotere concerten van Crevecoeur was er ook een groep Doopsgezinden (Johannes Messchaert, de familie le Coultre, Jo Gramberg e.a.) die in de beste verstandhouding met de Stadsmuziekmeester eigen kleinschalige muzikale activiteiten van hoog niveau ontplooiden (kamermuziek, kleinere concerten).

Volgens sommige door mij geïnterviewde personen zou Kint “kort voor de oorlog”, dus in de zomers van 1938 en 1939, in de Gooi- en Vechtstreek orgelbespelingen hebben gegeven. De daartoe benodigde speelvaardigheid en podiumervaring bezat Kint weliswaar, maar waarschijnlijker lijkt mij toch, dat hier sprake is van een naamsverwisseling met de Zaandamse organist Cor Kee. Niettemin hield de publicist Thomas van Huijstee (1905-1990) voor wie de namen Kee en Kint beide een begrip waren – hij heeft ze allebei horen spelen, als organist resp. altist – en die er zeker van was ze niet te verwisselen, vol, Kint vóór 1940 op het orgel van de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel te Amsterdam te hebben horen spelen, niet bij een concert, maar tijdens een bezoek aan de kerk t.g.v. een repetitie of dienst. (Van Huijstee kende ‘iedereen’ in de kunstwereld, van Jacques Bloem tot Jac. Bonset.)
   Zekerheid verschaften eerst de naspeuringen van Bert van der Veen die van Jo Gramberg het volgende te weten kwam.
   “De buurjongens Dirk Meerkotter (ook leerling van Cr.) en de hierna uitvoeriger beschreven Cor Kint bespeelden bij toerbeurt het orgel in de Doopsgezinde Vermaning aan het Venedie. De families Meerkotter en Kint behoorden tot de eerste generaties bewoners van het toen nieuwe Snouck van Loosenpark. De Enkhuizer violiste Jo Gramberg die tegenover de Vermaning aan het Venedie woonde, heeft daar in latere jaren ook zelf - bijna een halve eeuw lang – diensten aan het orgel begeleid. Mogelijk is en waarschijnlijk lijkt dat Kint, die al piano speelde, van Crevecoeur een paar orgellessen heeft gehad (legatospel, pedaaltechniek) en, uitzonderlijk handig als hij was, deze vaardigheden zelf verder ontwikkelde. In het cahier getiteld 1890—1 Juli— 25-jarig Jubileum II. Lijst der Leerlingen en der opgetreden Solisten gedurende bovenvermeld tijdvak, figureert Kint echter niet onder de leerlingen van Crevecoeur, evenmin als A. Rinkel, die in 1917 en mogelijk eerder (de notulen van Crescendo spreken van ‘steeds’) orgelpartijen bij Crevecoeurs orkestuitvoeringen speelde en in 1919 een Preludium en Fuga opdroeg “aan mijn leermeester, de heer R. G. Crevecoeur”. Waren zij uitzonderlijke musici die Crevecoeur niet als leerlingen van zijn lesfabriek beschouwde?

Albert Schweitzer, die Crevecoeur kende, is eens na een concert in Hoorn (voorjaar 1928) met Crevecoeur meegegaan naar Enkhuizen, waar beide heren zich de volgende dag op het orgel van de Wester vermaakten. Schweitzer had vóór dat bezoek tegen Crevecoeur iets gezegd in de trant van “pneumatiek? dat kan toch niet goed zijn”, maar stond versteld van de snelheid van déze pneumatiek.
   In 1932 concerteerde Schweitzer in de Enkhuizer Westerkerk met voornamelijk werk van J. S. Bach en hield een lezing over zijn werk in Afrika. Zie verder Derk Jansen, Een kunstenaar op de kansel, p. 34-36, alwaar ook een foto van het grafmonument van Crevecoeur naar het ontwerp van Jacob Johannes Meyer, geschoold in de kunstnijverheid, hervormd predikant te Enkhuizen sinds 1929, is opgenomen. De pianiste Eva Meyer, pianolerares te Enkhuizen, was een dochter van hem.

Albert Schweitzer
Permanente Adresse : Günsbach, Elsass (Zur Zeit Edinburgh)            19.11.34

An die Familie von Herrn Organist Crèvecoeur, Enkhuizen.

Ich erfahre soeben den Tod von Herrn Organist Crèvecoeur. Lassen Sie mich Ihnen mein herzliches Beileid ausdrucken. Ich habe diesen feinen Menschen sehr verehrt. Ich bewahre ihm ein liebes Andenken.

Herzlichst Ihr ergebener

Albert Schweitzer

Zingende torens in een kleine stad, door Klaas Norel, in het boek Alle Klokken Luiden, Baarn 1936, blz. 37-41, is een artikel over de beiaards in Enkhuizen, nog altijd lezenswaardig, ook omdat Norel goede oren had. Hij beschrijft hoe de klokkenspelen bij veranderende weersomstandigheden anders gingen klinken.

Jac. P. Thijsse schreef in het Verkade-album Langs de Zuiderzee, 1e en 2e druk, 1914 resp. 1915, blz. 73-74 :
    Ik heb nogal veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.
    En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken : „In 't stille dal, in 't groene dal". Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte : „Wie gaat mee, met ons over zee — hou je roer recht". Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen : „'t Zonnetje gaat van ons scheiden". Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroica. [. . .]
    De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo'n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn : hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch : ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris ; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!
    [NB: ik heb Thijsse's spelling Dromedaris laten staan. De Enkhuizers schrijven Drommedaris.]

Genealogie

http://www.versteegt.net/Genea/html/897.htm Reinhart Gerrit Crevecoeur, geboren 11 aug. 1867 te Rotterdam, overleden 5 oct. 1934 te Enkhuizen.
Gezinsblad ... (De inhoud is gefilterd. Nog levende personen geboren na 1920 ontbreken op dit overzicht).
Bastiaan Crevecoeur #2786, geboren 31 dec. 1835 te Rotterdam, beroep(en): Kantoorbediende, zoon van Gerrit Crevecoeur en Wilhelmina Elizabeth Meyer.
Gehuwd 15 mei 1861 te Rotterdam met:
Johanna Dorothea Brandse #2790, geboren 20 april 1832 te Rotterdam, dochter van Reinhard Brandse en Clasina Wilhelmina Kamans.
1) Gerrit Crevecoeur #2791, geboren 31 03 1862 te Rotterdam ;
2) Reinhart Gerrit Crevecoeur #2792, geboren 15 01 1864 te Rotterdam, overleden 08 05 1867 te Rotterdam ;
3) Reinhart Gerrit Crevecoeur #2793, geboren 11 08 1867 te Rotterdam ;
4) Clasina Wilhelmina Elizabeth Crevecoeur, geboren 22 oct. 1869 te Rotterdam met:
Gottfried Lindeyer #2796, geboren 07 febr, 1866 te Rotterdam, beroep(en): Notaris ;
5) Wilhelmina Elisabeth Johanna Crevecoeur #2795, geboren 20 april 1874 te Rotterdam.
Ouders :
Bastiaan Crevecoeur, geboren 31 12 1835 te Rotterdam, beroep(en): Kantoorbediende
Gehuwd 15 05 1861 te Rotterdam met:
Johanna Dorothea Brandse, geboren 20 04 1832 te Rotterdam.

[De naam Lindeyer werd ook Lindijer geschreven.]

Litt.

K. Feringa, Terugblik op Albert Schweitzers orgelconcerten in Nederland. Internationaal Symposium 1978, brochure NASF.
Thijs Kramer, artikelenserie in De Orgelvriend juli 1987 - sept 1988. Een strijker die van prestanten bleef dromen.
Bert van der Veen, Bentveugels van Enkhuizen. Schets van het kunstzinnig bestel in Enkhuizen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Enkhuizen 2000.
Derk Jansen, Een kunstenaar op de kansel. (Ds. J. J. Meyer, 11 okt. 1878 - 18 nov. 1956), Ver. Oud Enkhuizen 2010.

Terug naar boven