GÉ VAN DOORNIK (1892-1959)

 


Gerrit Jan (Gé) van Doornik (28 nov. 1892 Enkhuizen - 18 oct. 1959 A'dam), was een nakomertje in het gezin van de welgestelde metselaar Hendrik van Doornik, volgens de geboorteaangifte geboren op 28-11-1892 "in het huis staande op den Vrijdom" bij het Boschplein. Van Doornik had zijn werkplaats aan het toen nog niet gedempte Venedie, op nr. 13. Vlak om de hoek in de Torenstraat woonde het gezin Kint, schuin tegenover de Baansteeg. Beide jongens bezochten de Boschschool. Gerrit kreeg zijn eerste vioollessen bij Jan Piet Roda, bij wie Kint en Lussenburg al les hadden. De jongens zwierven door en rond Enkhuizen, spelend, ravottend, zwemmend aan de zeekant. Op schilderachtige plekjes, die in overvloed aan-wezig waren, begonnen ze schetsen te maken, zoals ze dat gevestigde en door­trekkende kunstenaars zagen doen. Lussen-burg, wiens vader zowel de scheerkwast als het schilderspenseel hanteerde, zou ermee begonnen kunnen zijn.

Op een zeker ogenblik kwamen ze Freek Sietses (*1884) tegen, bezig met tekenen of aquarelleren, een oudere jongen, die ook al vioolles had, en dat gaf een extra stimulans. Deze jongens vormden het begin van de 'Bentveugels van Enkhuizen', zoals Bert van der Veen het groepje artiesten in de dop genoemd heeft. Hein de Bruin sloot zich later aan, wellicht ook Harmen van der Leek. Kint en Van Doornik bleven nog lang na hun verhuizing naar Amsterdam regelmatig naar Enkhuizen komen. Van andere eventuele bentveugels kennen we de namen niet, ze hebben zich geen plaatselijke of nationale bekendheid verworven. Misschien hoorde Kris Blom erbij, die met Freek Sietses in het groepje 'Paulus Potter' schilderde. Blom had zijn hoofdbaan bij de post maar verrichtte ook diensten voor rederijen en vrachtvaarders in het accijnshuisje op het Urker Hoofd. Gé van Doornik deed zijn HBS-examen in 1907. Kint verhuisde al in 1906 naar Amsterdam, met zijn ouders, van Doornik ging in zijn eentje per 30 sept. 1913. Hij behaalde in 1916 cum laude het einddiploma viool aan het conservatorium te Amsterdam, met piano als tweede instrument, begon violen te bouwen en bestudeerde die kunst omstreeks 1921-24 in Mittenwald, het Mekka van de Duitse vioolbouw, waarna hij met Tata Mirando, in het orkest van de zigeunerfamilie Weiss, drie jaar door Europa trok ; Gé speelde er viool, piano en cimbalon. Vergelijk de ets Czardas van François Hogerwaard op deze site.
Van 1927 tot 1932 woonde hij in Parijs, niet als enige Nederlandse musicus overigens (Dieben, Monnikendam, Smit, Wertheim, de Roos), waar hij violen bouwde en restaureerde, optrad en lessen gaf. Hij werd een handige, zijn talen sprekende vakman, die tegelijkertijd het flamboyante leven van een bohémien leidde, wat hem weleens parten heeft gespeeld. De economische crisis dwong hem min of meer naar Amsterdam terug te keren, waar hij trouwde met Johanna Fokkema, Duitse van geboorte, en als Hoofd van de Sociale Dienst moeiteloos een bestaan opbouwde. Hier schilderde hij een tiental portretten, o.a. van Oscar Carré (ook al een uitstekend violist en een bekwaam schilder), Cor Kint, Felice Togni (1871-1929, tot 1917 aanvoerder tweede violen Concertgebouworkest, vioolpedagoog, leraar van Kint, Lussenburg en Van Doornik), Gerard Boedijn, Jos Lussenburg en Otto Couperus (Kints zwager, de zanger, in de muziek begonnen als vioolleerling van Kint). Mag zijn ets uit 1921 onmiskenbaar van talent getuigen, en zijn portretten in elk geval voor hun doel geslaagd zijn, voor Van Doornik was het schilderen geen hoofdzaak, in tegenstelling tot de instrumentenbouw, waarin hij tot respectabele hoogte gestegen is. Zelf noemde hij zich dan ook vioolbouwer. Voor Kint heeft hij een viola d'amore gebouwd (zie afb. 3 alsmede de afb. van dit instrument onder Kint / Biografisch).

3. Portret van Henk Dieben door Paul van Eeden.

In 1939 bouwde hij een altviool met in het rugblad het stadswapen van Enkhuizen ingelegd. Jaap de Wit heeft jarenlang dit instrument bespeeld in het Enkhuizer orkest Crescendo. Het is op een of andere manier in handen gekomen van de Amsterdamse violist Boris Visser. Informatie laat staan een goede foto van het instrument is van Visser niet los te krijgen.
Van Doorniks olieverfportret van Kint is in 1985 gestolen uit de woning van zijn weduwe in Rijssen, een ernstig verlies.
Naar G. van Doornik, verzetsstrijder in WO II, is in Breukelen een straat genoemd. Hij zou o.a. via een arts op de Amsterdamse Bernard Zweerskade karweitjes voor 'De Groep van Achttien' hebben verricht.
De korte biografie door ir. (?) Robert van Doornik, gepubliceerd in Steevast 1998, ook op internet te vinden, bevat vele onjuistheden c.q. verdichtsels. Zo is van Doornik nooit lid van het Concert-gebouworkest geweest, laat staan concertmeester!

Zie ook onder Diversen, M. Kramer.

Tot veler verbazing is de keurige Kint altijd boezemvriend van de bohémien Van Doornik (1892-1959) gebleven. De liefde voor het strijkinstrument heeft ze onverbrekelijk verbonden, al zullen Kint en meer nog Jenny moeite gehad hebben met het tapverbod dat de gemeente Enkhuizen de kroegbazen t.a.v. Van Doornik had opgelegd. Voor meer details en het vervolg van zijn levensloop zie Bert van der Veen, Bentveugels van Enkhuizen, Vereniging Oud Enkhuizen 2006.


- (1) De ets Havenmond van Enkhuizen (1921). Ets getiteld op plaat "Havenmond van Enkhuyzen", op achterzijde met inkt "Ingang Havenmond van Enkhuizen". Gesigneerd r.o. Gé van Doornik 1921. Van Doornik blikte vanaf zijn standpunt op de kop van het Zuiderhoofd bij 'het grote Vuur', de vuurtoren, over de havenmonding heen op de Harlinger steiger – even zo vaak Harlingensteiger genoemd – van het Noorderhoofd. Tamson maakte zijn houtsnede "Het Hoofd" (zie op deze site onder Tamson) vanaf dezelfde plek. Op de achtergrond is het accijnshuisje uit ca. 1590 te zien, dat in een nieuwere tijd nog als kantoortje voor de stoombootmaatschappijen gediend heeft. De kleine vuurtjes op het Harlinger of Urker hoofd, hier nog te zien, zijn in de vorige eeuw verwijderd. De afdruk stamt uit het bezit van Cor Kint. Ze is uit de boedel van zijn weduwe gered door Herman Schönfeld Wichers, wiens schrijversnaam Belcampo was, en die zich op gepaste afstand op de hoogte hield van de verzetsavonturen van Jenny en Gé. Cor was van nature voorzichtiger.

  De Harlinger stoomboot schommelt   Soms is 't of een klaaglied   En ik denk, dat is maar goed ook;
Over de Zuiderzee De schampre lippen ontstijgt. Want kende de man die pijn,
Van Stavoren naar Enkhuizen. De hofmeester denkt, dat mijnheer dan Hoe zou hij nog voor de betrekking
Een dichter schommelt mee. Een aanval van zeeziekte krijgt. Van hofmeester bruikbaar zijn? -
  Kwijnend rust op de verschansing   Och, de hofmeester is niet onmooglijk  
De zangrige elleboog. Een mensch met een edel hart,  
Glazig staart naar Friesland Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen            Uit De Friesche Poëet (1867)
Het bleekblauw poëtenoog. Verstand van dichterssmart.                            van Piet Paaltjens.


Uit De Friesche Poëet (1867) van Piet Paaltjens. In Paaltjens' taaleigen betekenden poëet, dichter en zanger hetzelfde; dus "De zangrige elleboog" is de elleboog van de dichter.
Paaltjens was onder zijn eigen naam François HaverSchmidt van 1859 tot 1863 dominee in de Mariakerk van Foudgum, waar sinds 1924 het orgel uit de Enkhuizer Vermaning staat, het orgel waarop Cor Kint van ca. 1900 tot 1906 in toerbeurt met Dirk Meerkotter de diensten begeleidde.
De veerboot meerde in Enkhuizen aan de Harlinger steiger, laadde en ontscheepte goederen, sloeg verse proviand in en vervolgde zijn reis naar Amsterdam. De spoorverbinding Amsterdam—Enkhuizen bestond toen nog niet.

           http://www.onderdeboompjes.nl/inc/upload/kavels/70/70_verh1-7-n1.jpg

Cornelis Christiaan Dommelshuisen (1842-1928), olieverf op doek op paneel, r.o. gesigneerd, Torenstraat met Zuidertoren, Enkhuizen, 46 x 38 cm.


Alie van Wijhe-Smeding, Oude kennissen, 1932, blz. 53.

Over het havenhoofd liepen de passagiers uit Urk, Harlingen en Lemmer, onder het plankier zochten minder bedeelden weleens beschutting. [] "Hè-je geen karweitje voor me?", vroeg Bertus nederig, zijn stem stokte in vrees-voor-weigering. [] Maar de boer lachte. "Wat kon dié werken?", dacht hij. [] Bertus liep wezenloos door naar de stad. Er was géen gedachte in zijn hoofd, weinig verstand had Bertus ook maar, hij was een misdeelde, wreed noemden de menschen hem "idioot". Maar dat eene was er toch wel altijd in zijn doffe hersens : de wilde begeerte naar gestadige arbeid, naar iets waaraan hij zich ten volle geven kon . . . In de straatjes van de kleine stad was het leeg, leeg en doodstil. [] Toevallig ging hij een weg uit naar zee. Het water had gouden wegen van zon, en de deining zong droomerig zacht tegen de steenen wallen. Schuw meed Bertus de enkele menschen rond-om, hij kroop weg onder het plankier van het havenhoofd en luisterde naar het neuriënd water. "Waarom bin ik toch zoo as ik bin", tobde hij, "ik zou zóo me best doen as ik sterk genoeg was, as ze me wouen, maar ik . . . ik bin er voor niks . . . voor niks".

- (2) Gé van Doornik met viool op 21-jarige leeftijd (1913 of 1914). Met dank aan Loek Lussenburg.

- (3) De kop van de viola d'amore die Van Doornik voor Kint gebouwd heeft. Zie onder Kint / Biografisch voor een com­plete afbeelding van dit instrument.


Terug naar boven