Greiner, Dick. Architect B.N.A. – Geb. 6 Nov. 1891 te Amsterdam. — G. ontving achtereenvolgens onderwijs aan de Oefenschool v. Teekenonderricht, de Ambachtsschool en de Avondambachtsschool en was daarna gedurende vier jaar als timmerman werkzaam.
Door zelfstudie werd hij in 1918 toegelaten tot den Cursus v. Voortgezet en Hooger Bouwkunst Onderricht, waarvan hij in 1922 cum laude h. dipl. behaalde. Hij werkte als opzichter en teekenaar bij verschillende architecten, o.a Eduard Cuypers, Gratama en Versteeg. Den l en Maart 1920 vestigde hij zich als architect te Amsterdam.
Zijn voornaamste werken zijn de bebouwing van de Brink, Veeteelt- en Landbouwstr., Zaaiersweg en Huismanshof, het zgn. Betondorp, met plm. 200 woningen, een Openb. Leeszaal, Volksgebouw Vergaderzalen, Afd. v. d. Brandweer, G.E., Stadsreiniging, enz., het clubgeb. v. d. Zeilver. „Nieuwe Meer" te Aalsmeer, arbeiderswoningen aan de Java-, Gorontalo- en Makassarstraten en i. d. Buiksloterham, een Tehuis v. Ouden v. Dagen, het Hallentheater met het daaraan grenzende blok Middenstandswoningen, de verbouwing en uitbreiding van de Haarlemsche Huishoud- en Industrieschool te Haarlem. In 1936 verbouwde hij het in 1926 door hem ontworpen Muziek Lyceum aan het Alb. Hahnplantsoen en hij ontwierp diverse landhuizen in de omgeving van Amsterdam, alsmede 2000 arbeiders- en middenstandswoningen en heerenhuizen in de hoofdstad. Verder bouwde G. het Flatgebouw Zonnehof in Amsterdam-Zuid, 1938, tal van winkels, scholen, fabrieken, opslagplaatsen en restaurants in Amsterdam en andere plaatsen, waarvan hij de interieurs ook verzorgde. – G. was bestuurslid van den Kring A'dam b. d. B.N.A., voorzitter v. d. Club v. Afgestud. H.B.O., docent in Architectonisch ontwerpen a. d. Cursus v. Voortgezet en Hooger Bouwk. Onderr. en bestuurslid van dien Cursus. – Hij publiceerde in binnen- en buitenlandsche vakbladen en maakte vele reizen naar het buitenland. — Met bijzondere liefde beoefent hij de zeil- en wintersport. - Jan v. Eyckstr. 32, Amsterdam.
Aldus het lemma 'Greiner' in Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in Woord en Beeld, red. H. P. van den Aardweg. Amsterdam, 1938.


Rijksmonument De Greiner

In 1932 kreeg Greiner de opdracht om de in 1903 door Hamersfeld en Roog ontworpen Huishoud- en Industrieschool aan de Voorhelmstraat te Haarlem uit te breiden. De nieuwbouw kwam in 1935 gereed in zakelijk expressionistische stijl. De draagstructuur is van beton en de gevel van baksteen. De gevelcompositie, die aan Dudok doet denken, en de door het betonskelet mogelijk gemaakte toepassing van grote vensteroppervlakken, zijn gecombineerd met decoratieve elementen uit de Amsterdamse School. De lokalen zijn gescheiden door dikke dragende muren.
Vanaf 1995 doet het gebouw geen dienst meer als school. Het pand in de Haarlemse woonwijk Rozenprieel (vlakbij het centrum) is op de Rijksmonumentenlijst geplaatst zijnde een wezenlijk onderdeel van het oeuvre van Dick Greiner. Tijdens de bijeenkomst Bouwen Haarlem 2012 is De Greiner uitgeroepen tot mooiste herbestemmings-project van Haarlem.
De op bijzondere wijze ingevulde ruimte van het trappenhuis krijgt zijn licht door prachtige glas-in-lood ramen, ronde vensters en blauw / geel geglazuurde vensterbanktegels. Behalve het trappenhuis zijn ook andere ruimtes in hun oorspronkelijke allure hersteld. De granitini van de gevel moesten op sommige plekken opnieuw worden aangebracht wegens de slechte staat van de muren. Granitini is een speciale soort granito of terrazzo.

De Amsterdamse ontwerper en architect Greiner (1891-1964), wiens grootouders evenals die van Kint in Enkhuizen hun kleinkinderen uit Amsterdam op bezoek of vacantie kregen, was een jaar jonger dan Kint. Vermaard is zijn werk aan en rond de Brink in Betondorp (rond 1925), in 1987 op de Monumentenlijst geplaatst en een trekpleister voor architecturaal toerisme geworden. Bekend zijn uit die periode ook de gevels in de omgeving van zijn kantoor aan de Rijnstraat, waarbij een van zijn collega-architecten een zekere A. Kint was, en het Muzieklyceum aan het Albert Hahnplantsoen. Opmerkelijk is, dat het grafmonument van Crevecoeur op de begraafplaats in Enkhuizen in de stijl van de Amsterdamsche School gebouwd is.
Het aanzien dat de Amsterdamsche School (in bredere zin het Jonge Bouwen) op grond van haar architectuur niet alleen onder kenners en niet alleen in Nederland geniet mag als bekend worden verondersteld. De grafische ontwerpen van sommige van haar stijlgenoten en stijlverwanten zijn echter evenzeer opmerkelijk. Bij de Kintuitgaven van Boeijenga bood zich de gelegenheid aan, een van die langzaam in vergetelheid geraakte fraaie geometrische composities met hun decoratieve symboliek te gebruiken, namelijk het ontwerp van Dick Greiner dat in rood en zwart het buitenomslag van Kints Prélude pastoral en in blauw en zwart dat van Kints Sérénade siert, en op de binnen-titelpagina in een gedekte kleur op de muziekdruk preludeert.

Omslag

De luxueuze dubbelomslagen van Prélude pastoral en Sérénade pour Violon (beide Seyffardt's Boek & Muziekhandel A'dam, 1926, in dat jaar nieuw opgericht) van Cor Kint stammen van de ontwerper en architect Dick Greiner (1891-1964), achterneef van de componist. Dick Greiner heette eigenlijk Karel Jacobus Greiner. Beider wortels lagen in Enkhuizen. Greiner, stilistisch in de nabijheid van de Amsterdamsche School te plaatsen, werkte tezelfdertijd aan een andere muzikale opdracht, de bouw van het Muzieklyceum aan het Albert Hahnplantsoen langs de Apollolaan in Amsterdam (1927). Zijn naam is voor altijd verbonden met Betondorp in Amsterdam Watergraafsmeer. Greiner maakte voor J. L. Willem Seyffardt ook ontwerpen voor zaken als briefpapier, enveloppen, nota's, advertenties, de verbouwing van de winkelpui.
De vormgeving van beide omslagen is identiek, op de opdrukkleuren na (Prélude pastoral rood en zwart, Sérénade pour Violon blauw en zwart). Formaat 26,8 × 34,3 cm. Het omslag van Prélude et Fugue en la mineur pour Grand Orgue (1926) van Marinus de Jong, in dezelfde trant, zonder de vierkantjes, (want reeds?) overvol met al die letters van naam en werk, maakt geen geslaagde indruk. Of Greiner zèlf het omslag van Prélude pastoral later voor Alsbach heeft aangepast is betwijfelbaar.

Het buitenomslag heeft constructivistische en Stijl-kenmerken. Typisch Greiner is de symbolische decoratie. Deze bestaat hier uit elementen die gezien kunnen worden als bouwgereedschappen en bouw- en tekenmaterialen : de vierkantjes (stenen), de staande lat en zwarte regel (scharnier), een cirkel, het verlengde T-stuk (waarin ook een sleutel met baard gezien kan worden) en wat dies meer zij (kint▪).
Greiner presenteert een fantastisch compositum van dingen en lettervormen en afficheert daarmee de muziek van zijn verwant, die hij óók als een bouwwerk lijkt voor te stellen, gevormd uit noten en motieven, afstanden en lijnen, volgens dáár geldende regels harmonisch samengevoegd. Hij versterkt deze voorstelling, zo kan men menen, door een onderliggend geometrisch concept, waartoe toegang gevonden kan worden via de op een no-zw-diagonaal gelegen vierkantjes ■ ▪ ; daarvan verhouden de zijden zich als 9 : 6 : 2, d.w.z. 3 : 2 en 3 : 1 (het interval van de kwint). Zo verhouden zich de afstanden van het centrale ▪ tot onder- en bovenzijde blad ongeveer als 3 : 2, en de hoogtes van de naamletters en de werkletters als exact 3 : 1. Surinterprétation? Best mogelijk, het bladbeeld blijft evengoed een heel aparte blikvanger. Maar alsof het afgesproken werk is telt Kints Fantasie 400 genoteerde maten, na inleiding geen tussentitels tot fuga in maat 300 tel 2, zodat [inleiding] en [fuga + choraal] zich verhouden als 3 : 1. De fuga heeft ±64=[2+2]3, choraal + coda ±36=[3+3]2 maten. Had Kint zoveel gevoel voor proporties? Ik denk dat hij heel gewoon wist dat Cor Kint (drie resp. vier letters) = (3+15+18) en (11+9+14+20) = 36 : 54 = 2 : 3. Voorbeelden van het gebruik om afzenders en hun berichten te chiffreren met het Hollands cijferalfabet in Een groet uit Noord-Holland, een prentbriefkaartenalbum uit het begin van onze eeuw door J. Th. Balk, Amsterdam 1977, pp. 14, 48, 64. Met het Latijnse alfabet (i = j, u = v) is Cor Kint overigens 34 : 51, blijft 2 : 3.
Na de vrije expositie op de voorzijde heeft het in gedempte tinten gehouden binnenomslag, vanouds het titelblad, een meer officieel karakter. Nu staan de voor- en achternaam Cor Kint geordend op één lijn. De leesrichting is naar rechts gericht, naar de terugkerende punt achter de naam ▪ rechts boven. Daar ontstaat een nu verticale beweging in het schijnbaar statisch vlak, waar namelijk ▪ het omslagpunt in de leesrichting markeert. Die omslag op het blad lijkt een grafische uitnodiging tot het omslaan van het blad te behelzen, wanneer eenmaal het oog in de kier tussen de uiterst rechts gelegen lange verticaal en de bladrand (a.h.w. tussen deksel en rand) het formele voltooiingszegel opus 33 uit de index van de componist ontwaard heeft. Componist en opus, naam en werkstuk zijn nu verenigd in één element, ──┐| , een hoekstuk. Het omslaan bij dit grote ezelsoor opent het centrale part van het boek, waar de in notenglyphen gehulde Prélude resp. Sérénade (beide opus 33, een vergissing) als Doornroosje op le Prince Musicien wachten.
Het spel der motieven op dit omslag en de ontwikkeling ervan over twee bladen maken deel uit van een constructie, die Kints opus zowel in zich bewaart als ook naar buiten adverteert. De door de artisan Greiner met zorg voor Kints objet d’art vervaardigde ‘schrijn’ van zwaarder papier verleent het opus een aura van kostbaarheid, het wordt bewaard in een speciale bijpassende omhulling. Dicks ‘Schrein’ en Cors ‘kind’ zijn een twee-eenheid ; Greiners en Kints bladzijden vormen een ; een muziekboek zoals Greiner bedacht had dat het gestalte zou kunnen krijgen, anders en van een andere orde dan wat men doorgaans aan muziekdrukken tegenkomt. Greiners omslag betekent in die zin een vernieuwing, een van de vruchten van een moeilijk te overschatten bloeiperiode in het Nederlandse bouwen en vormgeven. De faam die de Amsterdamsche School (breder gezien het Jonge Bouwen) niet alleen onder kenners en niet alleen in Nederland geniet mag als bekend worden verondersteld. Opmerkelijk zijn echter ook verscheidene grafische ontwerpen van sommige van haar stijlgenoten en stijlverwanten. Greiners dubbelomslag is een bijzonder specimen uit deze ietwat buiten beeld gebleven categorie.

Vignet

Op de achterzijde van de omslagen van Kints Prélude pastoral (uitgezonderd het Alsbach-omslag), van Sérénade pour Violon en van het werk van de Jong staat een vignet van Greiner. Het toont de zon (waarschijnlijk opkomend) boven drie driehoeken, waarin men pyramiden of ook puntdaken kan zien, en de letters S B M in een jaren ’20 letterstijl. Deze letters akrosticheren vermoedelijk de zinspreuk Sol Basileus Mundi (‘de zon is de vorst der wereld’), wat voor de hand ligt, maar ook – denk ik – de cryptische signatuur StedeBouwMeester, als aanduidingen van levensvisie c.q. beroep en roeping van de kunstenaar. Nola Ringnalda droeg nog de oplossing Seyffardt's Boek- en Muziekhandel aan. Dit (drie)dubbelakrostichon houd ik voor geïntendeerd, wat ik niet van alle opgemerkte speelse associaties (Kint ↔ kwint (1:3, 2:3) ↔ kind, Greiner ↔ Schreiner ≈ schrijnmaker) kan zeggen.
De witte lijn die van de onopvallende opening in de vignetrand naar rechts loopt markeert de (staande) lijst maar is ook een te volgen spoor. Het slaat vier hoeken, wisselt via een ruimtewenteling naar het (liggend) grondvlak, en komt na een paar tweesprongen met doodlopende einden via de oplichtende contouren van de (staande) pyramiden of huisdaken uit in het zonbeschenen centrum.
Het doolhof-labyrinth-motief wordt aangetroffen in het vrije landschap, als greppelstelsels, haaglinten of steenbouwsels, maar ook in of nabij kerkportalen gelegd ; daar symboliseren ze de moeilijke levensreis van de gelovige voordat hij in het ware licht of in het hemels Jerusalem komt. Wat Greiner voor ogen heeft gestaan ligt op een ander vlak. Het vignet laat iets zien van van het sociale engagement en het geloof in maatschappijverbetering en -verheffing door beter ontwerpen en mooier bouwen, dat velen in en rond de Amsterdamsche School bezielde.
De afdrukken van het vignet zijn helaas alle in mindere of meerdere mate met inkt dichtgelopen. Greiners origineel is spoorloos, ook niet in het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam te vinden. Het vignet is opgeschoond in de richting van het originele ontwerp zoals het vermoedelijk geweest is.

De foto in Boeijenga's uitgave van de Fantasie over Een vaste Burg (vermoedelijk van Fotografisch Atelier Dekema te Enkhuizen) toont Cor Kint met leden van de Enkhuizer Orkestvereeniging Crescendo o.l.v. Crevecoeur op 3 nov. 1914 of 2 dec. 1914, t.g.v. een van twee uitvoeringen van Mozarts vioolconcert nr. 5 in A in de Nutszaal te Enkhuizen. Curieus is de vermelding in de De Vrije Westfries van 7 nov. 1914 : “Cor Kint, alt-violist van het paleis-orkest te Amsterdam, die het auditorium ten onzent op een aantal prachtige soli vergastte. Welk een wisheid en elegantie in zijn streek, welk een volkomen techniek, doch bovenal trof zijn diepgevoelde voordracht”. Kint was tot 1 sept. 1915 altist in het Concertgebouworkest. Hij maakte er Rachmaninow mee in zijn Derde Pianoconcert, Strauss en Mahler (7e Symphonie) als dirigent van eigen werk, en speelde als solist zijn eigen Concertstück voor altviool en orkest. Kint trad voorts solistisch op als viool-, altviool- en viola d'amorespeler, en was mede-oprichter en altist van het Concertgebouw-Quartet (1911), dat in 1912 als Hollandsch Strijkkwartet verder ging, en waarmee hij tot zijn uittreden in 1922 tournées door Europa maakte. Daarnaast speelde hij in cafés (zoals zovelen in die tijd bij die salarissen) en schnabbelde vermoedelijk in het orkest dat in het Paleis voor Volksvlijt toneelmuziek, operettes, revues e.d. begeleidde, en heeft er mogelijk wel eens een arrangement voor geschreven (pers. med. Julius Susan, 1891-1988, de laatste dirigent van dit orkest, aan welks bestaan de brand van 1929 een einde maakte). De muziekgeschiedschrijving heeft aan de laatste kwarteeuw van het Paleisorkest weinig aandacht besteed, hoewel er volgens oud-leden van Mengelbergs orkest die ik geïnterviewd heb uitstekende krachten in zaten (veel Joden), en jonge collega's er een schat aan orkestervaring opdeden. In 1919 werd hij vioolleeraar aan de Muziekschool der M.t.B.d.T., in 1923 aan het Amsterdamsch Conservatorium. Kint, vanaf 1902 pianoleerling van Johan Wijsman (! studies bij Rosenthal en Busoni, concerten in heel Europa, begeleidde Flesch, Kreisler, Ysaye), was een goed onderlegd en handig pianist die van Mozarts vioolsonates zowel de viool- als de pianopartijen speelde. Hij moet zonder veel moeite zijn orgelwerken hebben kunnen spelen, maar heeft dat voorzover bekend nooit in het openbaar gedaan. In elk geval heeft hij niets ondernomen om de mythe van ‘een violist die orgelwerken schrijft maar geen orgel speelt’ uit de wereld te helpen.
“Daarbij toont de jeugdige componist te beschikken over 'n zeldzaam begrip hoe orgelmuziek zijn moet, al bespeelt hij ook in 't geheel 't orgel niet” (Anton Rijp, 1916, voorzover mij bekend de eerste verspreider van deze misvatting in druk, over het Andante op. 17). “Een violist die orgelwerken schrijft en nog wel zulke, als hier een voor ons ligt, mag wel als een buitengewoonheid gelden” (Jan Zwart, 1919, over de ‘Vaste Burg’). “Ofschoon Kint geen organist is, weet hij toch voortreffelijk voor orgel te schrijven” (M. A. Prick van Wely, 1931).

(Uit het Editiecommentaar bij Orgelwerken van Cor Kint, uitgave Boeijenga)