Het orgel in de Vermaning (de Doopsgezinde kerk) te Enkhuizen, waarop Kint gespeeld en gestudeerd heeft.

Vanaf 1789 had P.A. Bakker emplooi als voorzanger, in 1804 volgde zijn zoon Agge P. Bakker hem op. De dato 20 augustus 1843 besluit de kerkeraad tot de aanschaf van een orgel, mogelijk op instigatie van de geleerde, bereisde en muzikale ds Dirk Harting. Men slaagde erin voor de prijs van ƒ 425 een gebruikt orgel te kopen in Amsterdam. Uit welk gebouw dat orgel kwam vermeldt de historie niet. Het beschikte over twintig “registers”. De Broederen hadden zich van deskundig advies verzekerd, want zij namen G.H. Meyroos in de arm, stadsorganist van Enkhuizen en stadsmuziekmeester. Hij kreeg daarvoor ƒ 25 plus ƒ 9,40 voor onkosten. Het transport vanuit Amsterdam en de plaatsing van het orgel aan het Venedie vergden ook nog enkele bedragen, zodat een collecte onder de gemeenteleden werd gehouden. […] Het orgel werd ingewijd op 25 sept. 1843. […] De eerste organist die aantrad was de zoon van Meyroos.
Nog onder Harting wordt in 1881 over een nieuwe kerk en een nieuw orgel gesproken. Na de nodige geldelijke en bouwkundige voorbereidingen wordt op 20 april de eerste steen gelegd, men kerkte onderwijl in de Zuiderkerk. Het orgel werd vóór de sloop deskundig uit het gebouw verwijderd en “bij den muziekmeester Crevecoeur” opgeslagen. Op 9 oct. 1892 wordt het kerkgebouw ingewijd, met een voorzanger, want het orgel was nog niet gereed. In hetzelfde jaar werd nog een register vervangen, zodat het kort daarop wel speelklaar geweest zal zijn.
Op dit (mechanische) Hageman / van den Brinkorgel (C-f''') heeft Cor Kint in toerbeurt met Dirk Meerkotter diensten gespeeld van 1902 (misschien zelfs 1900) tot sept. 1906, toen het gezin Kint naar Amsterdam verhuisde, maar heeft vermoedelijk tot 1909 op een vrije dag nog af en toe een dienst begeleid.

Broekhuyzen : G. H. Broekhuyzen Sr., Orgelbeschrijvingen, deel II (Commentaar), herdruk VNM 1986.
E 8 Enkhuizen, Provincie Noord-Holland.
Het orgel in de kerk der doopsgezinde gemeente is een groot huisorgel met sprekend front, gemaakt door Hageman, orgelmaker te Amsterdam. Door de kerkenraad aangekocht, geplaatst en geleverd door L. van den Brink en Zonen, orgelmakers te Amsterdam, in het jaar 1843. Drie jaren later door dezelfde heeren eenige veranderinge in het mechanisme aangebragt. Heeft 13 stemmen, een handclavier, aangehangen pedaal en eene schepblaasbalg.
Bourdon D. 16 vt               Octaaf 2 vt               Fluit B. 4 vt                 tremulant
Holpijp 8 vt                        Tertiaan 1 vt            Fluit 2 vt                     ventil
Prestant D. 8 vt                 Siflet 1 vt                 Octaaf 2 vt
Prestant 4 vt                     Holpijp B. 8 vt          Siflet B 1 vt
Fluit douce 4 vt

Het Hageman-orgel uit de Vermaning wordt in 1909 naar Leeuwarden verkocht.

“Het [oude] orgel ging naar de Vrij-evangelische Gemeente te Leeuwarden (voor ƒ 150) en het nieuwe werd aangeschaft voor ƒ 1900” (EhzCrt 29 Jan 1910). Dirk Meerkotter werd nu vaste organist. Na diens opvolger Piet de Wit is Jo Gramberg, die schuin tegenover de Vermaning woonde, bijna 50 jaar organist van de Vermaning geweest.

De drie vergulde lindehouten beeldjes die het orgel bekroonden werden door M. A. van Leeuwen, van 1907 tot 1947 beheerder van de Snouck van Loosen Stichting, eind 1909 voor ƒ 150 gekocht. Hij zag kennelijk de waarde ervan in en argumenteerde misschien dat ze niet echt bij het orgel hoorden maar op het voorzetfront stonden.

Jan Jongepier schreef in 'Vijf eeuwen Friese orgelbouw', Leeuwarden 2004, op blz. 37 het volgende : "Het orgel in de kerk van Foudgum [....] is afkomstig uit de vrije evangelische kerk te Leeuwarden en werd na de bouw van een nieuw orgel aldaar aan de kerk van Foudgum verkocht. Dankzij onderzoek door de organist Thijs Kramer naar de levensloop van de organist en componist Cor Kint is bekend geworden dat in de vrije evangelische kerk te Leeuwarden in 1909 het voormalig orgel uit de doopsgezinde kerk van Enkhuizen werd geplaatst. Het kabinetorgel van Foudgum zou daarmee zijn anonimiteit verliezen, want het Enkhuizer orgel was een kabinetorgel van de Amsterdamse orgelmaker J. E. Hageman die in 1782 overleed. De disposities komen verrassend overeen".
Daarmee zijn er er nog niet helemaal. Het Enkhuizer orgel kwam begin 1910, dus niet in 1909, in Friesland aan. Maar de Vrije Evangelische Kerk te Leeuwarden werd pas in 1915 geopend.

In 1909 verkocht de kerkeraad van de Enkhuizer Vermaning het orgel aan de Vrije Ev. Gem. te Leeuwarden. In het Westfries Streekarchief te Hoorn bevindt zich een brief van secretaris S. Spaans aan ds. Timmermans te Leeuwarden van de volgende inhoud : "16 October 1909. Aan den kerkeraad der Vrije Evangelische Gemeente te Leeuwarden. Hierbij berichten wij u goede nota genomen [te hebben] van uw schrijven. Wij rekenen dus dat het orgel verkocht is. Over levering vóór Kerstmis zal nader gecorrespondeerd worden. Hoogachtend, S. Spaans, secretaris." Van oude Enkhuizers die ik in de jaren '80 interviewde vernam ik echter dat het orgel door ijsgang op de Zuiderzee pas in 1910 in Friesland arriveerde.
Dit eenklaviers kabinetorgel zou door de V.E.G. in gebruik genomen zijn, en in 1920 door de fa. Bakker & Timmenga voor een ander instrument verruild. Het Enkhuizer orgel ging toen naar Foudgum. Maar het kerkgebouw van de V.E.G. werd pas in 1915 opgeleverd. Dan moet het Enkhuizer orgel tussen 1910 en 1915 dus ergens anders geplaatst of opgeslagen geweest zijn.

Correspondentie over de lotgevallen van het instrument.

"Logische veronderstelling zou kunnen zijn dat het orgel bij onze gemeente in het vorige kerkgebouw aan de Voorstreek in Leeuwarden in gebruik is geweest en dat het destijds gewoon is meeverhuisd", aldus de heer De Vries van de V.E.G. Mogelijk vindt de archiefbeheerder nog bewijs pro of contra deze veronderstelling.

De archiefbeheerder heeft de hiernavolgende gegevens in het archief gevonden.
In de notulen van 30 september 1909 staat de passage:  De voorzitter doet mededeeling omtrent een advertentie omtrent een orgel dat te koop wordt aangeboden. Werd besloten hierop te schrijven om nadere inlichtingen.
Uit bijgevoegde advertentie blijkt dat het om een pijporgel gaat, te koop aangeboden voor honderd gulden en te bezichtigen bij GOLDSCHMEDING's Orgelhandel, Warmoesstraat 141 te Amsterdam.
In de notulen van 8 december 1909 staat de passage: Verder werd ter tafel gebracht, dat met het opbouwen van het orgel zoo spoedig mogelijk zou worden begonnen door den orgelfabrikant Adama.
In 1909 was er nog geen sprake van het nieuwe kerkgebouw aan het Molenpad, dat immers pas in 1915 in gebruik is genomen. Geconcludeerd mag worden uit deze passage dat het orgel eerst opgebouwd is in het kerkgebouwtje aan de Voorstreek te Leeuwarden dat toen door de kerkelijke gemeente gebruikt werd.
Uit het jaarverslag 1909-1910:
In het voorgaande jaar (=1909, T.K.) hebben we op kennelijke wijze de goedheid des Heeren mogen aanschouwen. Immers reeds lang bestond er behoefte aan een beter orgel en sinds eenigen tijd bestond er een orgel-commissie, om middelen in het werk te stellen in die behoefte te voorzien. Reeds had deze commissie aan den ingang der lokalen busjes gehangen, waar iedereen ...?  ....?  naar zijn vermogen zijn gave kan offeren. De opbrengst van deze busjes was ten voordeele van het betere orgel. Maar men was er op lange na nog niet, toen in een blad een orgel te koop werd aangeboden. Men sprak, deze gelegenheid moest men niet voorbij laten gaan. Er werd op geschreven en het had tot deze uitkomst dat het werd voor f 150 aangekocht. Doch hoe nu aan het geld te komen? Daar er nog geen f 50 in kas bij de orgelcommissie was? Maar men weet de uitslag. De Heer gaf in het hart eene Basaar te organiseeren, die met een heerlijke uitkomst bekroond is geworden. Het orgel is er gekomen. De Heer heeft er in voorzien en daarom komt Hem daarvoor onzen dank. Wij zouden hierover nog zeer veel kunnen zeggen, maar dan zouden we te veel van Uwe aandacht vragen. Laat dit eene hier nog aan toegevoegd worden. Waar wij op den Heer vertrouwen, daar laat Hij ons nooit beschaamd staan, daar geeft Hij ons meer dan wij van Hem vragen. Daarom ons gansche vertrouwen op Hem, dan zal het altijd goed gaan.
Tot zover de gevonden aantekeningen die betrekking hebben op het orgel. Onduidelijk is waarom het orgel voor 150 gulden werd aangekocht, terwijl een orgel van Goldschmeding voor 100 gulden werd aangeboden. Misschien bedroegen de transportkosten 50 gulden?
Het Enkhuizer orgel ging vanuit Leeuwarden naar Foudgum, het betreffende front en binnenwerk dat het kabinetorgel camoufleerde ging naar Oude Pekela, getuige de aantekeningen hieromtrent in het 'orgelboek' van Jan Jongepier.
Het orgel dat sinds 1969 het Enkhuizer kabinetorgel verving, is afkomstig uit de Weteringkerk te Amsterdam. In 1979 schrijft de Orgelbouw-Adviescommissie der Gereformeerde Organistenvereniging over het dit orgel: Als bouwer van het instrument staat op de speeltafel aangegeven D.G. Steenkuyl te Amsterdam. Het bouwjaar is ca. 1915. De orgelkas en een aantal registers zijn echter veel ouder dan 1915 ............... ........... Het orgel heeft een fraaie kast die gemaakt zou kunnen zijn door de orgelmaker Hermanus Knipscheer II (1802-1874). O.a. de zijwangen van de kas zijn typerend voor het werk van Knipscheer ......
In 1984 is het orgel zoveel mogelijk in oude staat teruggebracht door orgelbouwer Haarsma uit Drachten, waarbij de tractuur weer geheel mechanisch is gemaakt zoals dat bij Knipscheer ook het geval was. Oorspronkelijk zat in de kast een twee-klaviers orgel. Momenteel een een-klaviers.
Ik hoop u met deze informatie enigszins van dienst te kunnen zijn geweest.
Met vriendelijke groet,
Jan de Vries (secretaris VEG-Leeuwarden).

Ik geef hier het volgende commentaar bij. Er lijkt van twee verschillende orgels sprake te zijn. Het Goldschmeding-orgel kan niet het Enkhuizer Hagemanorgel zijn, dat de kerkeraad van de Enkhuizer Vermaning eind 1909 aan de Vrije Ev. Gem. te Leeuwarden verkocht. In het Westfries Streekarchief te Hoorn bevindt zich een brief van secretaris S. Spaans aan ds. Timmermans te Leeuwarden van de volgende inhoud : "16 October 1909. Aan den kerkeraad der Vrije Evangelische Gemeente te Leeuwarden. Hierbij berichten wij u goede nota genomen [te hebben] van uw schrijven. Wij rekenen dus dat het orgel verkocht is. Over levering vóór Kerstmis zal nader gecorrespondeerd worden. Hoogachtend, S. Spaans, secretaris." In de Enkhuizer Courant van 29 Jan. 1910 staat : "Het orgel ging naar de Vrij-evangelische Gemeente te Leeuwarden (voor f 150) en het nieuwe werd aangeschaft voor f 1900". Onduidelijk is nog steeds wat er tussen 1910 en 1915 met het Hagemanorgel gebeurd is. Interessant is de mededeling zwart op wit dat het Hagemanorgel in Leeuwarden een voorzetfront heeft gehad, dat naar Oude Pekela is gegaan. Het zou dan tot 1969 in Leeuwarden dienst gedaan hebben, althans behouden zijn. Het orgel kan reeds in Enkhuizen een voorzetfront hebben gehad, maar er is geen foto of tekening bewaard die zo'n veronderstelling staaft, zodat het contact dat ik heb gehad met de VEG Oude Pekela toen ik nog op zoek was naar het Enkhuizer orgel in Friesland / Groningen / Drenthe, alleen opleverde dat het instrument zelf niet het Enkhuizer Hagemanorgel kon zijn.
Op foto's van het instrument in Foudgum afgaande lijkt het me niet uit te sluiten dat de drie beeldjes qua formaat op het Hagemanorgel passen en daarop thuisgehoord hebben. In dat geval zal in Enkhuizen geen voorzetfront gestaan hebben. De beeldjes zijn in Ehz gebleven en hebben dus nooit op het voorzetfront in Leeuwarden gestaan. Ik zal eens informeren of het front in Oude Pekela consoles heeft voor drie beelden. Is dat niet zo, dan is de situatie duidelijk, is het wèl zo, dan zou dat front uit Ehz meegekomen zijn en zouden de beeldjes in Ehz op het voorzetstuk geprijkt hebben. Als vastgesteld kan worden dat de beeldjes bij het orgel in Foudgum horen en niet bij het voorzetfront in Oude Pekela, moet de mogelijkheid onder ogen gezien worden dat ze vanaf de bouw rond 1775 tot de verkoop in 1909 op het orgel gestaan hebben. Ik heb de beeldjes veilig op laten bergen bij de Snouck van Loosenstichting in Ehz. Mocht u belangstelling hebben, dan kan ik op een goede dag de beeldjes in Ehz ophalen en naar Foudgum brengen om de combinatie in opstelling eens te bezien. We nodigen Jongepier en de orgelbouwer uit en kijken wat we ervan vinden.   Met vriendelijke groet, Thijs Kramer.  [Privé-omstandigheden hebben me verhinderd dit thema verder te volgen.]

De doopsgezinde kerk in Enkhuizen is de Vermaning aan het Venedie. De beeldjes van David met harp en twee engelen met viool en fluit die daar op het orgel stonden bevinden zich niet in het Westfries Museum te Hoorn en hebben zich daar ook nooit bevonden, maar worden op mijn verzoek bewaard in het Snouck van Loosenhuis te Enkhuizen, waar ik de beeldjes in 2004 na enig speurwerk in een kerkzaaltje aan de Breedstraat aangetroffen heb. Afbeeldingen van de beeldjes heb ik geplaatst in Cor Kint, Orgelwerken, deel 1 (David) en 2 (de engelen), uitgegeven in 2006 door Boeijenga te Veenhuizen (Dr.).

Harmonium met de drie vergulde beeldjesIn 2006 schreef ik : "Het was een groot huisorgel van J. E. Hageman (Amsterdam), tussen 1767 en 1782 gebouwd, in 1843 gekocht [door de doopsgezinde gemeente], door L. van den Brink & Zoonen (Amsterdam) geplaatst, het front bekroond door drie vergulde lindehouten beeldjes van ca. 60 cm hoogte : David met harp en twee fluit resp. viool spelende engelen. Na enig graven (in het archief van de Vermaning, thans in het Westfries Archief) en speuren (in Enkhuizen) mocht ik deze beeldjes in 2004 in goede staat aantreffen in een gebouwtje van de Snouck van Loosenstichting, wankelend maar onbeschadigd boven op een harmonium. Het trio lijkt van museale kwaliteit (Vlaamse barok of neobarok? nader te onderzoeken). M. A. van Leeuwen, van 1907 tot 1947 beheerder van de Stichting, kocht ze eind 1909 voor ƒ 150, toen het orgel naar de Vrije Evangelische Gemeente te Leeuwarden verscheept werd. De lotgevallen van het orgel aldaar zijn nog in nevelen gehuld". Deze laatste formulering is overdreven, maar strikt genomen is er een hiaat in de verkoopgeschiedenis, archivalia ontbreken op dit punt, en ik had geen plaatsruimte meer om die lotgevallen van 1909 tot 2006 te bespreken. Want daarin zou ook vermeld moeten worden dat uit het Vermaning-archief en uit interviews van mij met oude Enkhuizers (1986-87) gebleken is dat door ijsgang op de Zuiderzee het orgel niet vóór Kerstmis 1909 maar pas in jan. of febr. 1910 in Friesland is aangekomen. Daar heeft het enige jaren in opslag gelegen, of heeft ergens als vervangend orgel gediend (het was een betrekkelijk snel reisvaardig en snel op te bouwen kabinetorgel), voordat het in Leeuwarden in de kerk van de Vrije Ev. gemeente geplaatst werd. Dat gebouw werd namelijk pas in 1915 opgeleverd.

Het orgelbouwbedrijf Bakker & Timmenga te Leeuwarden schreef aan de Kerkvoogdij der Hervormde Gemeente te Foudgum op 8 nov. 1972 "Volgens ons archief is 't orgel door onze fa. in 1924 geleverd (afkomstig uit de Vrije Evang. Kerk te Leeuwarden)." Dat is duidelijke taal.

Op 12 sept. 1977 schrijft dezelfde orgelbouwer aan dezelfde geadresseerde : "Het orgel zal naar alle waarschijn-lijkheid gebouwd zijn door de orgelmaker Hendrik Meijer te Amsterdam, omstreeks 1790-1800. Dit kan geconcludeerd worden uit het overeenkomen van verschillende constructie's en details met die van het kabinetorgel der Hervormde Gemeente te Oldenholtpade van dezelfde bouwer, gedateerd 1800. Het instrument is in 1920 ingeruild bij de Vrije Evangelische Gemeente alhier en in 1924 te Foudgum geplaatst." De laatste zin neemt definitief de twijfel weg over de vraag of het orgel dat in Leeuwarden weggehaald is hetzelfde instrument is dat in 1924 in Foudgum geplaatst werd.

Herman Zandt, orgeldeskundige, schrijft op 24 febr. 1978 in een 'rapport betreffende de restauratie van het orgel in de Hervormde Kerk te Foudgum' aan C.R.M., de kerkvoogdij en de orgelbouwer : "De vraag naar de bouwer van het instrument is intrigerend. De Jong plaatste in zijn Alphabetische lijst [J. L. de Jong Lzn, Alphabetische lijst van kerkorgels in Friesland met stichtingsjaar en bouwers, Heerenveen 1936] vraagtekens zowel wat betreft de vervaardiger alsmede het jaar van de bouw. Andere schrijvers, waaronder dr. A. J. Gierveld wel de belangrijkste mag worden genoemd, noemen de Amsterdamse orgelmaker Hendrik Anthonie Meijer als vervaardiger." De hier volgende speculatieve uitweidingen laat ik weg.

In het keuringsrapport van 20 nov. 1990, in de paragraaf Geschiedenis van het instrument schrijft Zandt : "Vóór het gereedkomen van de restauratie is steeds ervan uitgegaan, dat het kabinetorgel door een professionele orgelmaker werd vervaardigd. In dit verband is de naam van de Amsterdamse orgelmaker Hendrik Meijer genoemd, die het instrument na 1784 en vóór 1812 zou moeten hebben gebouwd. Nader onderzoek heeft uitgewezen, dat deze opvatting niet langer kan worden gehuldigd." De rest is nieuwe speculatie. Men wist toen nog niet dat het orgel uit Enkhuizen afkomstig was.

                                               



Conclusie.

Alles bijelkaar genomen kan men er van uitgaan dat het orgel dat van den Brink in 1843 in Enkhuizen neerzette in 1909 in twee delen gesplitst is. Het grootste deel, het orgel zelf, staat in Foudgum. Een klein deel (de drie beeldjes, vermoedelijk van vóór 1800, maar mogelijk eerst van 1843), bevindt zich in Enkhuizen. Of de beeldjes ooit op hun oorspronkelijke standplaats zullen terugkeren?

Het orgel in Foudgum. Aan de balustrade Bert van der Veen.

Een klein gedeelte van de speeltafel met registerlijst.