WILLEM BASTIAAN THOLEN 1860-1931

Willem Bastiaan Tholen *Amsterdam 13 febr. 1860 - †Den Haag 5 dec. 1931. Huwde 1886 Coba Muller (1843-1918). Tweede huwelijk in 1919 met Jonkvrouwe Willemina Elisabeth Edzardina de Ranitz. Over Tholen is zoveel geschreven, dat ik voor verdere jaartallen en carrière naar de litteratuur verwijs, alleen onderaan deze pagina een paar zaken memoreer, een vijftal onbekende brieven publiceer en hier in medias res spring met een citaat uit Greshoff, Afscheid van Europa.
"... Er waren toen veel zulke stille schilders, niet zelden met onschatbare gaven toegerust, die in een betrekkelijke eenzaamheid hun levenstaak voltooiden zonder zich al te veel te bekommeren om stukjes in de krant of de gunst van de gaande en komende man. Ik denk nu aan hem die onder hen wel de belangrijkste leek, W. B. Tholen, die, in de geest van de Haagse school, tot een verfijning, een veredeling kwam als geen van de meer bekenden uit die groep bereikten". Tholen kan niet bij de Haagsche School ingedeeld worden, men behelpt zich met 'Haagsche school II', of 'aan de rand van de H.S.'
Tholen schilderde in zijn vroege jaren prachtige portretten (denk aan de zusjes Arntzenius) en kreeg in 1887 een onderscheiding voor een niet zo goed gelukte ets (afb. 4). Daalde hij in die tijd nog naar Zeeland af, aan het eind van de eeuw begon het hem naar het Noorden te trekken, we vinden hem op de Kaag, op Loosdrecht, in Kampen en sinds 1900 rond de Zuiderzee, terwijl ir. Lely zich warmliep en in uiteindelijk in 1918 zijn plan voor de Afsluitdijk door het parlement goedgekeurd kreeg. Al jaren zag men het aankomen. In 1914 schreef Jac. P. Thijsse in Langs de Zuiderzee "Ga nu de Zuiderzee zien, eer het te laat is".
Van lieverlee werd Tholen een van de 'Zuiderzeeschilders', van wie Lussenburg wel de bekendste is geworden. Lussenburg legde in woord (want hij schreef ook) en beeld de bedrijvigheid van de visvangst en vishandel, de werfjes, de strijd met het water vast, met de uitgesproken bedoeling dat wat verloren ging vast te houden in (dramatische) beschrijving en afbeelding. Bij Tholen geen drama maar bezonkenheid, een enkele keer toch neigend naar expressionisme. In Enkhuizen was Tholen "een zeer gerespecteerde, gewaardeerde en bewonderde bezoeker van de stad". Alie van Wijhe-Smeding beval aan haar uitgever voor de illustraties bij Menschen uit 'n stil stadje "een vaste klant die ons reeds jaren komt bezoeken... de heer Toolen" aan. Om onbekende reden heeft uitgever Brusse "J. G. Veldheer verzocht een illustratief omslag voor uw boek te ontwerpen". Van 1902 tot 1908 bezat Tholen in Enkhuizen een huis, Westerstraat 54 in de huidige huisnummering. Toen het bericht van Tholens overlijden Enkhuizen bereikte werd op de Drommedaris de vlag halfstok gehangen.

 


- (1) De olieverf op linnen van Willem Bastiaan Tholen Enkhuizen bij avond (zwart-wit afb. nr. 130 bij A. de Jong met de titel Drommedaris, volgens de Jong geschilderd omtrent 1900), toont Enkhuizen vanaf het Hoofd gezien, met v.l.n.r. de rode daken van de Havenweg waar Alie Smeding gewoond heeft, de Drommedaris, en het ophaalbruggetje dat naar Spui en Vissershoek ('t Suud) leidt. Deze donkere olieverf geeft zijn 'geheimen' niet direct prijs. Het gaat niet zozeer om wat ze afbeeldt, maar meer om het verdwijnen van het afgebeelde in het zwart van de nacht.
Wie zijn Enkhuizer klassieken kent schiet Hein de Bruin (Wat blijft, 1934) te binnen : "Ginder, vooruit, straalt lantaarnlicht op een blinde muur, daarboven is een berg van duisternis omkranst door de witte blinking der lampen van het stationsemplacement" (p. 134). Ongeveer dat zie je inderdaad op Tholens schilderij. Geen zonsverduistering, maar een stationsverduistering, veroorzaakt door de Drommedaris. Het station lag en ligt zo'n drie-, vierhonderd meter achter de Drommedaris, gerekend vanaf Tholens standplaats op het noordelijk havenhoofd. Door en boven de bomen links schijnt het kunstlicht van het emplacement, aan de bewolkte hemel grauwt het laatste daglicht. Tholen heeft vanaf dezelfde standplaats een schilderij bij daglicht gemaakt, Havengezicht te Enkhuizen met Drommedaris. In haar boek heeft A. de Jong beide schilderijen op pag. 103 boven elkaar gezet. Op het dagzicht heerst enige bedrijvigheid, de sluisbrug is op, schuiten varen binnen, de stijl is Haagsche School according to Tholen, de schuitenvoerders en de toekijkende baliekluivers staan niet als corpora aliena in het beroemde sacrosancte Enkhuizer decor. Maar op het avondzicht is de brug neer, er is geen mens meer te zien, de voorstelling is impressionistisch met grillige lijnen neergezet, details doen er weinig meer toe, het gaat om de sfeer, en die is minder gezellig, zo niet onheilspellend. Een zekere vertekening van het beeld is ook waar te nemen in vergelijking met het reële dagzicht.

 

 

De nachtelijke angsten die onder de bewoners van de havenbuurtjes leefden, het bijgeloof ook, heeft Alie van Wijhe-Smeding in haar op Enkhuizen ge­oriënteerde werk onder meer in Grillige scha­duwen - Enkhuizer vertelsels (jeugd­werk, pas gedrukt in 1930) en Menschen uit 'n stil stadje (1920) van binnen uit beschreven. Herkenbaar misschien alleen nog voor diegenen die dergelijke buurtgemeen­schappen gekend hebben en hun verhalen gehoord. Waren in Nederland anno 2009 nog spoken rond, wordt er nog authentiek gegriezeld? Komen vissers door toedoen van een heks nog met lege netten terug? Wordt een schipper door onzichtbare hand van zijn schip gelicht om nooit meer teruggezien te worden?
Lussenburg schrijft "... die ouwe gedrong­en verdedigingstoren, trouwe wach­ter aan de zeepoort van het eens zo befaamd Enkhuizen. Ieder kwartier viel er een op zilveren klokjes getingeld wijsje uit z'n oude kop over de rode pannendaken van de vissersbuurt. In de ijzeren ledikantjes op ons zolderkamertje hoorden wij 'Piet Hein' of 'Waar de blanke top der duinen' en 's morgens werden wij gewekt met 'Ferme jongens, stoere knapen!' Als het stormde hoorden wij de wind brullen in zijn galmgaten – en tingelde er soms zomaar een bel heen en weer onder z'n met kopergroen gehelmde kop. Aan de voet, rond z'n dikke buik, hingen de ansjovisnetten te wapperen. Zo'n vertrouwde en goedhartige lobbes als het was wanneer de dag aan de hemel stond, zo dreigend en gevaarlijk was hij in de avond. Dan liep je er met een grote boog omheen, als je naar je grootmoeder moest om de Henkuzer krant te halen. Dan waren die bewegende netslierten evenveel wieken van grote nachtvogels, donkere gestalten, die om de toren dansten. Was Lange Ant laatst nog niet door zo'n spook achterna gezeten en hadden ze de De Troela niet afgeranseld, omdat hij 's middags aan de visafslag had staan opscheppen, dat hij niet bang was voor een spook?
Neen, bij avond, als de oude ophaalbrug knarste en piepte in haar kettingen, als het licht in de 'peterolie'-lantaarns op en neer flikkerde, dan liep je harder, en dan had je vier vingers in de boksbeugel. De aan de remming op het water wiegende kotters waren overdag lievelingen, maar bij avond knarsten de blokken en klapperden de vleugels en vallen".

 

Die schaduwkant van Enkhuizen kun je vermoeden in dit havengezicht, in donkere bruine en grijze tinten gehouden, waar het reeds donkere rood van de daken weldra in zwart zal zijn overgegaan en het laatste daglicht verdwenen. Ongrijpbare nacht-wezens komen tot leven.
Nu kun je niet stellen dat Tholen onder de indruk van al deze verschrikkingen besloot een Enkhuizen spookstad op het doek te brengen. Toch moet in dit verband vermeld worden dat Smeding voor Menschen uit 'n stil stadje haar uitgever Brusse (R'dam) om illustraties van Tholen gevraagd heeft. ".... 't Aantal kunstenaars dat zomers ons stadje bezoekt is vrij groot. Een vaste klant [Smedings vader had een winkel in scheeps­benodigdheden] die ons reeds jaren komt bezoeken is de Heer Toolen [sic] van wiens werk naar 'k meen in de Nieuwe Rotter­damsche Courant met lof gesproken werd. Zoo nodig zou ik naar zijn adres kunnen informeeren". Maar twee maanden later schrijft Brusse dat hij "J. G. Veldheer verzocht heeft een illustratief omslag voor uw boek te ontwerpen," en dat Veldheer in Bergen woont en Enkhuizen goed kent. Veldheer was een illustrator van naam. Tholen kende Enkhuizen minstens zo goed : hij liet er een Wieringer bol tot zijn schildersboot de Eudia verbouwen, logeerde vaak in Die Port van Cleve en bezat van 1902 tot 1908 zelfs een huis aan de Westerstraat. Brusse heeft Tholen misschien benaderd, maar indien ja, is niet bekend waarom hij het verzoek afgeslagen heeft.

- (2) W. B. Tholen. De Karnemelksluis in Enkhuizen vlak voor de demping (1911). De walbomen zijn al gekapt. Een van Tholens mooiste schilderijen.

- (3) W. B. Tholen. Zwart-wit reproductie van olieverf De haven van Enkhuizen (1911-12, A. de Jong p. 139, pl. xiv), op briefkaartformaat in eenmalige oplaag uitgebracht t.g.v. de Exposition Municipale 1912 Amsterdam. Aan de voet van de Drommedaris staan de quarantainebarakken die daar speciaal voor de pokkenbestrijding neergezet waren. Rechts van de Drommedaris steekt op de achtergrond de Pancras- of Zuidertoren boven de huizen uit. Die huizen, waarvan we de achterkant zien, staan aan het Spui (volledig gezegd Zuiderspui), ze zijn ook te zien op de ets van Tamson (16) en het aquarel van De Vries Lam (2). Met hun voorkant staan ze aan een kromme dijkstraat die dan ook de Bocht heet. Rechts van het schip in het midden, staat aan het water het karakteristieke water- of peilhuisje waar niet alleen de waterstand gemeten werd maar ook drinkwater voor schepen gehaald kon worden. Het staat apart op tenminste één schilderij van Tholen, genoemd 'Het Getijde Huis te Enkhuizen'. Rechts daarnaast begint de hier onzichtbare sluiskolk die naar de dubbele klapbrug bij de Drommedaris leidt. Daarboven is een glimp van de Stadsherberg uit 1594 te zien. — Wijd een oog aan de mooie compositie, vooral aan de verticale lijnen in het beeld.-


- (4) Poortje bij de noordelijke ingang van de Zuiderkerk te Enkhuizen. Afgebeeld in Illustrated Catalogue of Selected Works by W. B. Tholen, B. Bennett & Sons, Glasgow 1901, onder de titel Night, nr. 9. Bij avond ook wel een tikje griezelig.
   Hetzelfde poortje legde Schipperus een kwarteeuw eerder vast, bij daglicht :









4a. P. A. Schipperus, pendant Noordportaal van de Zuiderkerk en Zuidoostportaal van de Westerkerk te Enkhuizen.
Kleurenlitho's, 1874. Wegens de vele interessante details zijn de afbeeldingen paginabreed weergegeven. Werkelijke grootte 22 x 29 cm.


- (4a) Pieter Adrianus Schipperus leefde van 1840 (Rotterdam) tot 1929 (Den Haag). Hij was een knap aquarellist. Pas op latere leeftijd begon hij ook in olieverf te schilderen en bekwaamde zich in etsen en lithograferen. Bovenstaand werk (1874) dateert uit niettemin zijn vroege jaren. — Hij was mede verantwoordelijk voor de tekeningen/lithografieën in de bekende Wandelingen door Nederland met pen en potlood door J. Craandijk, Predikant bij de Doopsgezinde Gemeente te Rotterdam en P. A. Schipperus, Kunstschilder te Rotterdam.



- (5) W. B. Tholen. Ets op zink Varkenskot en varken (1887), gedrukt op papier vergé. Gesigneerd exemplaar. Knuttel 1950 nr. 33 ("Varkenskot, met riet gedekt. Er achter een schuur. Links bomen en een mesthoop, waarop een varken "). Papier vergé Van Gelder. 18 x 23,8 cm. In potlood Nº 29. In de plaat Tho. De Bois 25. Uitgegeven in de "Portefeuille der Nederlandsche Etsclub", 2e jaargang 1887, Nº 8.
In een brief van eind september 1885 schreef Tholen aan zijn vriend Willem Witsen : "Giethoorn, Vrijdag middag. Hierbij de eerste proeven van zinkwerk. Er moet met een ander bijtmiddel gebeten worden zoo ik gemerkt heb. Ik zal er eens een scheikundige naar vragen, wat het beste oplossingsmiddel is voor ijzer en tin, want dat moet het wezen. Zoo je ziet is 't ééne een soort varkens hok en het andere de gracht hier voor 't huis. Met het eerste wou ik ook het mijne doen om het aantal in beeld gebrachte (Alb. Thijm) varkens hokken te vermeerderen. Het varkens hok heeft in natura voor mij iets erg weemoedigs. Verleden jaar was het de woning van een ouwe man beurtschipper op Meppel en Steenwijk, ze noemden hem het varken (ieder heeft een bijnaam hier). Nu staat het huisje vervallen en is de man dood en huist er een vreeslijk groot zwijn. Ik had hem er zoo graag op gehad maar hij bleef voortdurend in het donker hol en als ie er uit kwam was 't om een appel te vreten, een varken vreet óók, zijn bek is gemeen zoo recht. Ik ben nieuwsgierig wat de afdruk zal geven. In 't eerste vooral zijn de lijnen erg onzuiver gebeten, dat doet koper mooier, maar misschien dit aardiger". Begin october(?) : "Als je weer zoo'n uitvoerige maakt neem jij dan ook kooper in 't vervolg? Ik ben 't van plan, want 't zink geeft iets grofs vind ik."

 


- (6) W. B. Tholen. Ets op koper Hoogaars Veere 13 in de haven (Knuttel 1950 nr. 49). Ets op Japans papier vélin. Rechts op de achtergrond de Kampveerse toren vlak bij zee en Veerse huizen langs de Kaai. Gesigneerd in potlood. De VE 13 vaart met gestreken zeilen de haven in.

 


- (7) W. B. Tholen. Ets op koper Praam, zeilend op zee. Rechts de strekdam van Enkhuizen (Knuttel 1950 nr. 42). Ook aangeduid met Zeilende praam, rechts de strekdam van Enkhuizen (Knuttel 1950) en Binnenzeilende tjalk bij hevige regenbui (Cat. De Bois 4). Ets op papier vélin 17,7 x 23,7 cm. Regenlucht, oplichtend aan de horizon.

 


- (8) W. B. Tholen. Ets op koper Kagermeer, 14 x 20 cm, ca. 1907. Knuttel 1950 nr. 54 ("Tussen twee palen, op een waarvan een sterntje zit, ligt een oud schuitje met opgehaald zwaard. In de verte de oever van het meer."). Bakels afb. 148.

 


- (9) W. B. Tholen. Ets op koper (1905) Baggervlet onder scheefhangende boom, op de achtergrond de Eudia (Tholens eerste schildersboot, een houten Wieringer of Enkhuizer bol, gebouwd op de werf van Lastdrager te Enkhuizen). De vletterman staat te vissen. Gedrukt op papier vélin. Knuttel 1950 nr. 41. Afb. in Knuttel 1944 nr. 35.

 


- (10) De Eudia aan de oever, 1901. Knuttel 1950 nr. 40. Signaturen op de plaat Tholen en Eudia 0I. Knuttel leest 03 en geeft als ontstaansjaar dus 1903. Tholen schijnt zich met 'Eubia' bij het graveren spiegelbeeldig vergist te hebben. Een man staat in de oeverbegroeiing, Tholen, of Paul Arntzenius, of Cornelis Vreedenburgh?

 

 

 

 

 

W. B. Tholen - Schip, hangend in de kerk in Blokzijl



- (12) W. B. Tholen. Ets op koper Schip, hangend in de kerk te Blokzijl. 1903. Knuttel 1950 nr. 46.
Tholen heeft dit onderwerp ook geschilderd, zie Bakels afb. nr. 119 (aquarel).

 


- (13) W. B. Tholen. Het kasteel de Kannenburg/Cannenburgh aan de achterzijde door de bomen gezien (Vaessen Gld.). Knuttel 1950 nr. 37. Tussen ca. 1890 en 1900. Een ander ex. dan het hier afgebeelde is op donkerder papier gedrukt. Het is r.o. gesigneerd "Tholen" in potlood.

 


- (14) W. B. Tholen. Krijttekening Buurtje. Schetsen in de marge.


- (15) W. B. Tholen. De tekening lijkt ergens aan de Zuiderzee gemaakt te zijn.

 


- (16) Tholens eerste schip, de Eudia, prijkt op dit schilderij van Cornelis Vreedenburgh (1880-1946) in zomerse kleuren, afgemeerd ergens in de Loosdrechtse plassen. Op de wal picknicken Tholen en de dames Tholen en Vreedenburgh. Vreedenburgh is leerling van Tholen geweest. Het schilderij (in particulier bezit) is r.o. gedateerd 1931, het jaar waarin Tholen is overleden, wat voor Vreedenburgh misschien de aanleiding is geweest om dit schilderij te maken, wschl naar een eerder op lokatie gemaakte studie of tekening. Er zijn merkwaardig veel copieën van dit schilderij in omloop, met de signaturen van o.a. A. C. van Noort, G. F. van Schagen, L. Soonius en J. K. Veerman, welke copieën verdacht veel op elkaar lijken en vermoedelijk door één en dezelfde persoon naar een afbeelding op een NCRV-kalender gemaakt zijn.
  "De Enkhuizer bol, naar de herkomst ook wel Wieringer, Makkumer of Workumer bol genaamd is rond 1900 ontstaan. Ze werden gebouwd door Lastdrager in Enkhuizen en Zwolsman in Workum en in Makkum. Ze waren kleiner en dus handzamer dan de aken en werden vooral gebruikt voor de paling-, haring- en ansjovisvangst. Ze zijn verwant aan de Wieringer aak en de Vollenhovense bol doch meer gedrongen, ongeveer 7,50 x 3 m en gebouwd op een kielbalk van ongeveer 7 cm. Van de oorspronkelijke houten bollen is alleen de Eudia behouden gebleven, gebouwd in 1901 in Enkhuizen voor een visser en tijdens de bouw overgenomen door de kunstschilder Tholen en als jacht afgebouwd", aldus de website van de SSRP (Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten).
    Het casco van het schip is in 1901 op Wieringen gebouwd. Daar kocht Tholen het casco van de visser N. Steen, die in 1912 in Enkhuizen woonde, Breedstraat IV 420 naar de toenmalige huisnummering. Tholen liet er een jachtopbouw op zetten. Hij sloeg de constructie gade vanuit Hotel Die Port van Cleve aan de Dijk, waar hij zijn intrek placht te nemen, tegenover de werf van Lastdrager. De Eudia had een roefje met slaapplaatsen en een kacheltje aan boord. Tholen woonde 's zomers maanden achtereen op zijn boten. Het Griekse woord Eudia is een aardige naam voor een zeilboot, kort te vertalen met Mooiweer. Het Duitse Heiterkeit geeft de betekenis nauwkeuriger weer, want eudia betekent zowel 'heiteres Wetter' als 'heitere Stimmung'. Evenals Paul Arntzenius voer Vreedenburgh als jongmaatje veelvuldig met Tholen bij diens omzwervingen op de Eudia mee.

Tholens Eudia bestaat nog. De huidige eigenaar, Mark G. Sisouw de Zilwa, heeft er een artikel aan gewijd in Spiegel der Zeilvaart (31e jg nr 4, Mei 2007).

Cornelis Vreeedenburgh (1880-1946), kreeg zijn eerste teken- en schilderlessen van zijn vader, die een schilderbedrijf had, en G. J. Roermeester. Gedurende de jaren die hij bij zijn vader doorbracht, trok Cornelis er met zijn boot op uit om zich op het water verder te bekwamen. Na kennismaking met Tholen en Paul Arntzenis maakte hij zich hun raadgevingen ten nutte.
  Evenals Arntzenius trok hij er samen met Tholen regelmatig met de boot op uit om de binnenwateren en rivieren te schilderen. Ook op de Kaag en langs de Zuiderzeekusten waren ze te vinden. Het is begrijpelijk dat Vreedenburgh een voorliefde kreeg voor het waterlandschap. De wijde, open plassen van Loosdrecht met de witte zeilen heeft hij vele malen vastgelegd. In Noorden en Hattem zag hij het landschap weer omringd door water.
  Na zijn huwelijk met de schilderes M. Schotel verbleef het echtpaar enkele jaren in het toen onbekende St. Tropez. Terug in Nederland vestigden zij zich eerst in Hattem en vervolgens in 1919 blijvend in Laren. In 1920 was het Cornelis Vreedenburgh die koningin Wilhelmina mocht rondleiden langs de ateliers van enkele schilders. Het Gooi vormde een ideale uitvalsbasis voor zijn veelvuldige bezoeken aan Amsterdam, een stad die hem bleef trekken. Vreedenburg maakte ook reizen naar Palestina. Op deze tochten maakte hij een ongelooflijk aantal schetsen en studies in aquarel en olieverf. Hij voelde het onbekende land goed aan en heeft er schilderijen gemaakt waarin men de bijbelse sfeer proeft.
  In Laren maakte hij diverse etsen, tekeningen en schilderijen waaronder de bekende werken “de Larense kermis”, en “het kroegje”. Dit in 1921 vervaardigde schilderij toont het interieur van dit toen druk bezochte etablissement van het hotel Hamdorff, waar voornamelijk de Larense en Blaricumse schilders elkaar ontmoetten.
  Van Cornelis Vreedenburgh zijn ook enkele meesterlijke stillevens bekend. In 1937 kocht koningin Wilhelmina twee schilderijen van hem. Een van deze werken is in de oorlog door de bezetter afgevoerd en is nooit meer te achterhalen geweest. Zijn eerste inzending bij “Arti” werd bekroond met de Willem van Collen prijs. Met zijn eerste inzending bij “Pulchri' werd hij door niemand minder dan Willem Maris gelukgewenst, al zijn schilderijen werden op een na verkocht. Verder ontving hij drie jaar achtereen de Koninklijke Subsidie.
  Tegen zijn 60ste was hij lichamelijk niet meer de oude. De ziekte van Parkinson bemoeilijkte het hem deel te nemen aan het sociale leven, maar erger nog, het belemmerde hem in zijn werk. Op 66jarige leeftijd is Cornelis Vreedenburgh overleden.

 

Tholen heeft de Eudia in 1905 verkocht of ingeruild voor een ander schip, dat hij Eudia II noemde. Het was een ijzeren motorschip van voorzover ik weet onbekend type, waarmee hij veel problemen heeft gehad. In 1917 deed hij het van de hand. Sindsdien heeft hij geen boot meer gehad, hij werd er te oud voor. In de litteratuur komt af en toe de niet bestaande benaming Eudia I voor, beetje dom natuurlijk, want Tholen wist in 1901 nog niet dat hij in 1905 een ander schip ging aanschaffen. De Eudia is wel een Lemsteraak genoemd - dat was ze niet, maar het is niet uitgesloten dat Tholen vóór 1900 op een Lemsteraak de wateren van Zeeland en Zuidholland bevoer.

 


- (17) Ets van Paul Arntzenius, leerling van Tholen, vermoedelijk voorstellende de oude ophaalbrug van Broekerhaven bij Enkhuizen, de sluiskolk en de herberg (vgl. afb. 18). Tegenwoordig ligt een draaibrug over deze doorsteek in de Zuiderzeedijk. De ets is in 2009 geveild met de aanduiding 'Enkhuizen', naar zeggen afkomstig van de vorige eigenaar. — Paul Arntzenius (1883-1965) volgde 1901-1903 een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag bij Tholen, die na het overlijden van Arntzenius' moeder, kort na Pauls geboorte, zich om de kinderen Arntzenius bekommerd had. De kinderen bleven in Tholens Kanaalvilla bij den Haag met hun vader Bram beneden wonen, terwijl Tholen en zijn vrouw de bovenverdieping gebruikten. Paul vergezelde Tholen in de jaren 1901-1905 dikwijls bij diens tochten met de Eudia. De ets kan uit deze jaren dateren.
Deze zelfde ets werd en wordt ook onder de titel 'Hindeloopen' aangeboden. Lijkt er minder op. Links ontbreekt de bebouwing die op oude fotokaarten te zien is. Onderstaande interessante tekening ontving ik van de historische vereniging Oud Stede Broec. Duidelijk is dat de zeedijk rechts van de twee figuren ligt. Maar verder . . .


18. Broekerhaven, getekend door Cornelis Pronk in 1729. Uiterst rechts de brug en de herberg.




19. Floris Arntzenius (1864-1925). Onderhoud aan een schip van Tholen. Olie op doek, 38x48. Ges. r. o.

19. Op dit schilderij zou Tholen bezig zijn zijn schip te verven volgens de veilingcatalogus. Kan zijn, maar om wèlk schip van Tholen gaat het? "Boot verven van de kunstenaar Willem Tholen" en "De Haagse Schoolschilder Willem Tholen verft zijn boot" heette het in een recente catalogus. Er is niemand meer die ons kan vertellen wat we in deze ietwat onduidelijke voorstelling nu eigenlijk zien. De Eudia zonder mast herken ik er niet in. Het zou een van de boten kunnen zijn die Tholen in den Haag had liggen. Daar verbleef Floris vaak. Het lijkt een flink schip te zijn, met roef. Tholens laatste boot was het motorschip de Eudia II.


—————————————————————————————————

Een vijftal niet eerder gepubliceerde brieven uit 1926-29 van W. B. Tholen aan A. van der Ven.


den WeledGeb Heer A. van der Ven
Directeur van het Postkantoor te Grouw (Friesland)
afz. W. B. Tholen
173 Haringkade
den Haag

173 Haringkade
den Haag 23 Dec. 1926
ZeerGeachte Heer,
Wanneer het U aangenaam is een KerstCadeautje te ontvangen, dan ontvangt U hierbij een herinnering aan mijn werk, daar ik het op prijs stel dat U daarvoor belangstelling heeft.
Voor het bedrag dat U mij meldde kan ik U geen schilderij verkoopen – –
Het doekje kan U door een vakkundige op een plankje (triplex) laten plakken. Het plankje één centimeter grooter in de hoogte en de breedte, dan kan de lijst even groot worden als het doekje zoodat er niets van het schilderwerk door de lijst wordt gedekt.
De lijst kan een donkere lijst zijn, ± 10 c.m. breed, met geornamenteerd goudachtig binnenkantje.
Wanneer deze herinnering aan de Zuiderzee voor u een teleurstelling is, wil dan zoo goed zijn het mij terug te zenden.
Met de meeste hoogachting
UwDw
W. B. Tholen.

———————————

173 Haringkade b/d Wittebrug
den Haag 24 Juli 1928
ZeerGeachte Heer van der Ven,
Het deed mij veel genoegen uw brief te ontvangen en van uw kring te hooren. Het is voor U en uw vrouw een gelukkige tijd zoo met uw kinderen te kunnen meeleven ; En voor uw kinderen dat gij zoo met hun jeugd, met hun ontwikkeling tot groote jongens en jongelingen kunt samen gaan. Zij zullen dat voorrecht nu nog niet kunnen beseffen, maar op latere leeftijd kan dat voor hun een gelukkige herinnering zijn. — Ik spreek uit eigen ondervinding, het doet mij denken aan mijn eigen jeugd. Met mijn vader, zeilen en veel buitenleven, mijn goede Moeder vol zorgen voor al het andere, tot dat de tijd kwam om een eigen weg te vinden. –
Ik vermoed dat wij nog wel eens rustig zullen praten, hetzij in Grouw of als U in September hier komt. Het werk op het atelier begint zijn eind te naderen en dan hoop ik eropuit te kunnen gaan, en ook bij U te kunnen komen – dat de omstandigheden mij in Friesland zullen brengen. Want als ik van huis ga weet ik nooit vooruit hoe het voor mij zal loopen, zooals ik ook het vorige jaar ondervond toen ik dacht in Grouw te komen en niet verder kwam dan Enkhuizen.
En toen ik thuis kwam daarna met herinneringen van zee en schepen, moest ik mij met portretschilderen bezig houden en dat ging van het ééne portret op het andere, met ten laatste een portret van Prinses Juliana, dat aan de Koningin Moeder zal worden aangeboden in Januari. Het ergst werk daaraan is gelukkig achter de rug, zoodat ik mij een beetje vrij begin te voelen en zie aankomen dat ik eerdaags een poosje van huis zal kunnen gaan.
Ik vind bijzonder aardig dat U weer voor mij aan het werk is, maar tot mijn spijt kan ik nu niet meehelpen, want die schuit kan ik niet best missen, ik meen dat grootere doek – en om nog iets anders bij elkaar te zoeken, daarvoor mis ik op 't oogenblik de noodige energie. Laat ik dit dus nog in gedachten mogen houden tot tijd en wijle.
Ik wensch U allen genoeglijke zomerdagen verder en zijt met uw vrouw hartelijk gegroet mede namens de mijne.
UwDw
W. B. Tholen.

———————————

173 Haringkade
den Haag 31 Octob. 1928
ZeerGeachte Heer van der Ven,
U heeft me zoo'n prettige brief geschreven, dat is ruim 14 dagen geleden en ik heb U nog geen lettertje terug gezonden. Dat komt daardoor, dat wanneer ik niet spoedig antwoord, dan wordt schrijven uitgesteld van de ééne dag op de andere, dan komen er andere dingen tusschen . . . en het resultaat is dat wij op de lange baan komen.
Het heeft mij ook veel genoegen gedaan, dat U en Mevrouw van der Ven nog bij mij zijn geweest, dat wij weer eens gepraat hebben. De vacantie heeft nog een mooi besluit genomen dat gij beide met uw jongens naar Marum zijt geweest en tot besluit het museum in Leeuwarden. Het lijkt mij voor uw jongens zoo gelukkig dat hun aandacht ook gericht wordt op kunst of hoe het heeten moge, dat de belangstelling niet uitsluitend op sport is gericht, zooals dat tegenswoordig [sic] bij de jeugd gewoonte is. –
U schrijft mij over Voerman. Ik weet niet wat ik U daarin zou kunnen raden. Ik heb Voerman als jongen en jonge man wel goed gekend, maar daarna, zijn wij van elkaar afgeraakt, in die zin, dat wij weinig meer van elkaar hebben gehoord.
Schilders worden dikwijls aangezocht voor alle mogelijke dingen bijdragen te geven, en dat heeft gemaakt dat velen daardoor een beetje onwillig zijn geworden – en wanneer de kunsthandel het werk op een prijs heeft gebracht, of duidelijker gezegd wanneer de kunsthandel voor een schilderij een zekere prijs zou geven dan kan de schilder in het belang van den handel en van zichzelf daarvan moeilijk afwijken. – —
Zou het niet mogelijk zijn dat U dat beschilderde behang kocht en het dan ruilde voor een werk van mij? Dan zouden wij aan bovenstaande bezwaren te gemoet komen.
Nu moet ik eindigen, ik zal U gaarne bij gelegenheid weer eens iets zenden.
Met vriendelijke groeten aan U beide, mede namens mijne vrouw en met hoogachting
UwDw
W. B. Tholen.

———————————

173 Haringkade
den Haag 17 Novemb. 1928
Zeer geachte Heer van der Ven,
Het is niet zoo'n eenvoudige zaak (voor mij) om een pak te maken van eenig schilderwerk. Maar gelukkig is het nu volbracht en het is reeds op weg naar Grouw.
Bij het openen van het pakket kan het goed zijn er op te letten hoe één en ander bij elkaar is geplaatst. Wanneer het goed is over gekomen, kan het dan op dezelfde wijze ingepakt terug gaan. (Het raam van de maneschijn heeft aan de achterkant ook spijkerkoppen, die het schilderwerk van de paneelen zouden kunnen beschadigen.) Want behalve de maneschijn die vernist is, zouden de andere stukken nog vernist moeten worden.
U ontvangt nu de volgende stukken :
Roode tjalk met duc d'Alve 250 -
Haven Volendam met roode zeilen 400 -
Haven met vischkaren 250 - (nog niet opgeplakt)
Zee met blauwe lucht en bottertje 250 -
Havendijk (Enkhuizen) 250 -
Wij hebben hier gistermiddag en vooral 's avonds geweldige windstooten in de storm gehad, die veel averij aan de daken heeft gemaakt, spiegelruiten ingedrukt enz. Wij zijn er nog al gelukkig afgekomen, Het geruisch over de boomen was indrukwekkend en soms angstig. Ik vermoed dat het in Grouw ook zal gespookt hebben. De dagen worden kort of beter gezegd het daglicht en is tegenswoordig het leven meest onder de lamp en aan tafel.
Van een vriend had ik ter lezing gekregen : De laatste Groote Schilderschool. Kritische Kunstbeschouwing van onze oude Hollandsche Meesters door den Franschen Schilder Eugène Fromentin. Als U dit boek niet kent en misschien in handen kunt krijgen, kan ik het U zeer aanbevelen, om te lezen wat een Fransche schilder ± 1877 uitgegeven denkt over Holland - Rembrandt - Hals - Ruysdael en anderen. Ik vond het zeer interessant en dikwijls zeer boeiend.
Ik hoop dat U en Mevrouw en de jongens het goed maken en doe U allen vriendelijke groeten mede namens mijn vrouw.
Met hoogachting
UwDw
W. B. Tholen.

———————————

HOTEL BOERSMA L E M M E R TELEF. NO. 7 Lemmer, den 29 Augs 1929
ZeerGeachte Heer van der Ven en Mevrouw
Aanstaande Zaterdag denk ik weer huis toe te gaan – Nu wil ik Friesland niet verlaten, voor ik U en Mevrouw gezegd heb, dat wij zoo'n prettige en mooie middag bij U hebben gehad. In huis tusschen al uwe schilderijen en op het water was het prachtig in uw prettige boot.
Mijn vrouw en ik hebben het toen wel zeer getroffen en zal dit uitstapje voor ons een zeer aangename herinnering zijn – En dat mijn vrouw nu ook uw jongens heeft gezien, heeft zij daardoor een volledig beeld van hetgeen U lief is, gekregen.
Het weer was sedert zeer afwisselend, wij leven hier nu weer in de warmte. Mijn vrouwzal ik thuis vinden als ik in den Haag terug ben.
Met hartelijke groet aan u beide
Uw W. B. Tholen.
U heeft nu een interessante collectie Voerman's

—————————————————————————————————


20. W. B. Tholen. Buurpraatje in steeg. Olie op canvas. 30x40.

- (19) Geen kalm zeegezicht of weids landschap, maar een ongeplaveid steegje met watergoot in een volksbuurtje van een eeuw geleden. Dit soort herinneringen aan het vroegere Nederland zijn zeldzaam. Buiten de deur schilderde of fotografeerde men bij voorkeur de welstandstekenen, de macht- en prachtobjecten. Ook het rustieke panorama, al dan niet met een vervallen ruine, was ontdekt, watergezichten en visserij, heide en schapen werden onderwerpen die belangstelling trokken. Niet overal en onmiddellijk: Dirk de Vries Lam moest in Groningen bij Minerva zijn studenten nog naar buiten jagen.
Maar een morsig steegje? Zaten kunstkenners hierop te wachten? Zou iemand van Tholens status zich niet verre moeten houden van de minder fraaie facetten der maatschappij, van de leefomstandigheden der minder bedeelden?
Het doekje is grotendeels in Tholens vaak geprezen subtiele bruintinten gehouden, in het late namiddaglicht. Onder passende belichting bijzonder sfeervol. Locatie onbekend (vissersdorp in Noord-Holland?). De telegraaf- of electrapalen, nog niet van bedrading voorzien, doen aan de jaren 1900-1920 denken. In 1915 telde Enkhuizen 63 telefoon-aansluitingen. Aansluiting op het electriciteitsnet vond rond 1920 plaats.

21. W. B. Tholen, olieverf 'Vissersboot de Enkhuizen 12', 30 x 40 cm.
Marouflé, r.o. gesigneerd en gedateerd 1918.

Toen Tholen dit schilderij maakte was Dirk Lub Jz (*1886), beter bekend als Dirk de Does, de eigenaar. Later is de botter EH 12 in handen van zijn zoon Dirk Lub (1924-1987) geweest, ook bekend als Dirk de Does maar dan junior, opstapper, stuurman en ten slotte schipper van de K.F. Sluys, de reddingsboot met vrijwillige bemanning van de NZHRM (de Noord en Zuid Hollandsche Redding Maatschappij), opgevolgd door de Spaanderbank. De Ehz.Crt. van 15 november 1974 meldt dat In tegenwoordigheid van koningin Juliana en prins Bernhard (in burgerkleding! maar met anjer) schipper D. Lub door premier den Uyl tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau geslagen werd. Zo'n bijnaam als 'de Does' was zeker voor een Lub niet overbodig, gezien de omstandigheid dat Enkhuizen de plaats met de grootste Lubdichtheid ter wereld was.
Cornelis van der Leek, roepnaam Kees van Frans, was de laatste Enkhuizer die nog met een botter viste, dit deed hij met de EH 2, tot 1955. Lussenburg heeft deze botter nog geschilderd (De stervende Zuiderzee afb. 1). Meer over de EH 12 en Dirk de Does in 'Haringgeluk' (zie litt.), met prachtige linoleumsneden van Peter Dorleijn, gedetailleerd zonder dat de prent 'vol' oogt, dus met veel ruimte. Dorleijn is evenals Tamson tekenleraar aan de Enkhuizer HBS geweest, dus geen wonder!
Tholen schilderde de tweede EH 12. De eerste EH 12 was in de storm van 6 oktober 1904 in de Noordzee bij de pieren van IJmuiden vergaan, tezamen met drie andere schepen die vergeefs de haven trachtten binnen te vluchten.


Houten model Zuiderzeebotter van Marken. Afmetingen: H 45 x B 67 cm.



Houtskoolschets.

het getijde huis te enkhuizen

22. W. B. Tholen, 'Het getijde huisje te Enkhuizen'. Olie op canvas 45.5 x 61.5 cm.

W. B. Tholen. Hofje. Olieverf op doek, 42 x 36 cm.


Litt.

  • Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 1893 / 2.
  • Illustrated Catalogue of Selected Works by W. B. Tholen, B. Bennett & Sons, Glasgow 1901. Inleiding geschreven door  G. H. Marius, The Hague, October 1901.
  • R. S. Bakels, W. B. Tholen. 150 reproducties naar werken van zijn hand. Met een biografische inleiding door Mr. Dr. R. S. Bakels, den kunstenaar op zijn 70sten verjaardag aangeboden. Den Haag 1930.
  • Catalogus Huinck & Scherjon te Amsterdam, tentoonstelling W. B. Tholen 16 jan. - 13 febr. 1932.
  • Ir. G. Knuttel Jr, Het grafisch oeuvre van W. B. Tholen, Den Haag 1950.
  • Ir. G. Knuttel Jr, W. B. Tholen, met 5 reproducties in kleuren en 40 in zwart, Den Haag 1944.
  • Ir. G. Knuttel Jr, W. B. Tholen, tweede uitgebreide en verbeterde druk met 62 reproducties waarvan 15 in kleuren, Den Haag 1955.
  • Anneke de Jong, W. B. Tholen 1870-1931, met 165 afbeeldingen en 16 kleurplaten, Assen 1992.
  • Mark G. Sisouw de Zilwa, De Eudia, in Spiegel der Zeilvaart, 31e jaargang nr 4, Mei 2007.
  • Jouke Volgers & Peter Dorleijn, Haringgeluk, publ. v. Vereniging Botterbehoud, Tagrijn 2006 nr. 4.

Terug naar boven