Dit hoofdstuk gaat over dichters en schrijvers die Kint gekend heeft.

Herman Bakels
(1871-1952) was van 1901 tot 1907 dominee aan de Doopsgezinde kerk De Vermaning aan het Venedie in Enkhuizen. Hij kan nlet tot de schrijvers in de gebruikelijke zijn van het woord gerekend worden, maar de omvang van zijn productie overtreft die van verhalen- en romanschrijfster Alie Smeding. Bakels is Kint in diens opleidingsjaren tot grote steun geweest, zeker in financieel opzicht.
Als zoon van een doopsgezinde predikant werd Herman Bakels in 1871 te Den Hoorn op Texel geboren. Tussen 1890 en 1895 doorliep hij een theologische studie aan het Doopsgezind Seminarie te Haarlem waar een zeer vrijzinnig klimaat heerste. Na afronding van zijn studies werd hij als predikant beroepen in de gemeenten Warns (1895-1901), Enkhuizen (1901-1907) en Sint Annaparochie (1908-1916 met een onderbreking wegens ziekte in 1910). In 1916 ging hij in Haarlem wonen, "buiten betrekking", zoals hij zei.
In Enkhuizen begon zijn schrijversloopbaan. In 1906 verscheen zijn eersteling Bouquetje dogmatiek waarin hij het agnosticisme en materialisme fel bestreed. Het boek werd een bestseller: in twee jaar gingen er 21.000 exemplaren over de toonbank, de vijfde druk (1924) bereikte de 32.000. Hoewel hij tot aan zijn dood in 1952 geen kerkelijke activiteiten meer zou ontplooien, werkte hij met des te meer ijver achter de schrijftafel. Zijn publicaties kenmerkten zich door een typische breeddenkendheid, die binnen kerkelijke kringen soms deining teweegbracht. In 1908 verscheen zijn vertaling van Het Nieuwe Testament 'voor leeken leesbaar gemaakt' in 6000 exemplaren. Herdrukken verschenen in 1914 en 1920. Van zijn vele andere werk noem ik nog het Bijbelsch Woordenboek.

Harmen van der Leek
schreef voornamelijk artikelen in het tijdschrift der 'jong-protestanten' Opwaartsche Wegen, dat hij mede heeft helpen oprichten (1923). Was eerder redacteur van Bloemen en Vrucht (1919-20) en Opgang (1920-23). Hij is jarenlang met De Bruin bevriend geweest, tot kort voor de oorlog.
Hein de Bruin was een begaafd, door een dominante vader gereformeerd misvormde, enigszins wereldvreemde Incassobank-employé, dichter en schrijver, een harde werker die zijn talent serieus nam. Tengevolge van een groeiend psychisch lijden kwam het slechts zelden in een schitterend sonnet tot uiting. In zijn laatste levensjaar is hij tweemaal in de gereformeerde Valeriuskliniek in Amsterdam opgenomen geweest. "Het regent in mijn paradijs" was een van zijn laatste regels. Hij staat hier onder 'schrijvers', maar was veeleer dichter. Een rubriek gemankeerd schilder ontbreekt op deze website, anders had ik de Bruin er liefdevol ondergebracht met een verwijzing naar 'schrijvers'. Misschien had hij dat monkelend wel gewaardeerd.
Als inleiding op de problemen die De Bruin met zichzelf had kies ik een gedeelte uit een beschrijving door Menno ter Braak van een debat tussen Klaas Heeroma, de Bruin en anderen.

    Het gesprek loopt allereerst over ‘het derde Réveil’, een term, die eenige jaren geleden door Heeroma is uitgevonden en waarvan de geslaagdheid destijds reeds door ons, thans ook door de reünisten betwijfeld wordt. Zoo maakt Hein de Bruin deze zeer juiste opmerking: ‘Heeft zo'n Kristelijk-letterkundige beweging eigenlijk wel zo veel betekenis? Het zijn toch pas de talenten, die zo'n beweging de moeite van het aankijken waard maken en talenten stamp je door geen enkele organisatie uit de grond’. Heeroma antwoordt daarop echter, dat ‘de kleinere talenten een Kristelijkletterkundige beweging alleen maar dankbaar (kunnen) zijn, want ze worden door de achtergrond die hun werk op die manier krijgt, belangrijker dan ze van nature zijn’. Dat is inderdaad ook een manier van de dingen te bekijken, moet men Heeroma toegeven; door bewegingen te stichten worden de kleintjes vanzelf groot; ook in de politiek van den dag komt zulks tegenwoordig voor. Maar Hein is nog niet verlegen en vraagt: ‘Forceren we onze positie als kunstenaar nu niet een beetje wanneer we net doen of ons “zingen in de gemeente” het wezenlijkste van ons dichterschap is, terwijl het in feite misschien maar een bijkomstigheid is? We moeten toch allereerst vrij worden als kunstenaar, vrij van beperktheden van ons milieu, vrij van alle theologische aanspraken, maar ook vrij van alles wat ons wil vastleggen in een richting, die niet strookt met onze natuurlijke aanleg’.
    Ziedaar het groote probleem voor den kunstenaar, die in een ‘beweging’ is georganiseerd en er niet uit kan, op straffe van niet meer tot de ‘beweging’ te worden gerekend: hoe moet hij vrij zijn en tevens onvrij, hoe vastgelegd in ‘jong-protestantsche’ richting en toch ‘vrij van alles wat ons wil vastleggen in een richting, die niet strookt met onze natuurlijke aanleg’? Op die vraag geeft de reünie ook geen bevredigend antwoord; men gaat uiteen om de bloemlezing aan het woord te laten, die nog eens bewijst, dat de poëzie uit dit milieu op een zeer behoorlijk peil staat, maar dat de eerste rang vrijwel ontbreekt.
     MtB

Alie Smeding schreef Enkhuizer verhalen en soms opzienbarende romans, die in Enkhuizen niet onverdeeld gewaardeerd werden en haar tenslotte het stadje deden verlaten.