HEIN DE BRUIN (1899-1947)

 

Mijn oog gelijkt den schilder, het penseelt
op 's harten grond u gans volmaakt
en schoon ;
mijn lichaam tot omlijsting, staat uw beeld
als schilderij in grote stijl ten toon.
Zie, hoe de vaardigheid des schilders vangt
al schilderend het wezen en de schijn
des beelds van u dat in mijn zielshuis hangt,
welks vensteren uw eigen ogen zijn.
Aanmerk hetgeen elk, oog voor oog,
hier won :
het mijne schiep uw vorm, het uwe biedt
een venster op mijn binnenst, waar de zon
belieft te spelen en u stil beziet.
De ogen toch zijn listig, ’t is hun aard,
zij zien de omtrek, ’t hart blijft onbestaard.

naar Shakespeare, sonnet XXIV
Uit: Ebben en Ivoor (1945)

Mine eye hath play’d the painter and hath stell’d
Thy beauty’s form in table of my heart;
My body is the frame wherein ’tis held,
And perspective it is best painter’s art.
For through the painter must you see his skill,
To find where your true image pictured lied ;
Which in my bosom’s shop is hanging still,
That hath his windows glazed with thine eyes.
Now see what good turns eyes for eyes
have done :
Mine eyes have drawn thy shape, and thine
for me
Are windows to my breast, wherethrough the sun
Delights to peep, to gaze therein on thee ;
Yet eyes this cunning want to grace their art ;
They draw but what they see, know not the heart.


Een fraaie herdichting van een klassiek sonnet, waaraan velen zich gewaagd hebben. De Bruin mag onder hen met ere genoemd worden. Hij was hier op bekend terrein. Merkte Klaas Norel in 1935 al op : "De schrijver behoort tot het visu­ele type", Roel Houwink schreef in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 1938/2 : "Hein de Bruin behoort tot de begaafd­ste proza-schrijvers der Protestantsche Jongeren. Zijn roman Wat blijft, eenige jaren geleden verschenen, is in dit opzicht een stellige belofte. Inmiddels wordt deze door de publicatie van de novelle Schalm en Scharnier [1936] geenszins ingelost. De auteur bevindt zich hier op een gevaarlijk pad, dat der 'Kleinmalerei'. Als werkstuk kan men waardeering hebben voor dit 'schilderij', maar schrijven is nu eenmaal geen schilderen."
   Zeker was De Bruin een picturaal ingesteld schrijver. Sterker: hij schilderde niet alleen met het woord, maar ook met het penseel. Uit liefhebberij, heet het, maar eerder zou van een passie gesproken kunnen worden. De Bruin was een s c h i l d e r e n d   s c h r ij v e r . Zijn schildertalent was klein, maar niet voor niets, kan men vermoeden, heeft hij vanaf 1930 driehoog met zolder aan de Stadionweg in Amsterdam gewoond, op het Zuiden, met ruime lichtinval. En nog iets : een instinctief gevoel voor geluid en klank – of voor het afwezig zijn van geluid : stilte – speelt een rol in zijn dichtwerk. Dat instinct sprak ook uit de (in de beste zin van het woord) theatrale manier waarop hij zijn poëzie voordroeg. In de hoekige wereldvreemde De Bruin school een ouderwets stijlvol voordrachtskunstenaar. Wie Jan Musch nog heeft meegemaakt kan zich er een voorstelling van maken. En inderdaad, ook De Bruin musiceerde, hij speelde viool, uit liefhebberij.

Levensloop
Na deze inleiding, die op de veelzijdigheid van De Bruins artistieke persoonlijkheid opmerkzaam maakt, volg ik kort zijn levensloop. Hein werd 23 maart 1899 te IJlst (Fr.) geboren als enig kind van de gereformeerde scheepmakersbaas Gerben de Bruin (*4 juni 1875 in Heeg, gem. Wymbritseradiel) en Antje Bijlsma (*29 mei 1875 in IJlst). Na een karwei in Essen (D.) en een kort verblijf in Friesland vestigde De Bruin zich per 29 aug. 1903 in Enkhuizen, waar hij  werkte als scheepstimmerman. Het gezin woonde aan de Driebanen (wijk 1 nr 440). Op 24 maart 1906 kon hij een boek- annex sigarenwinkel in de Westerstraat wijk II nr 88 (nieuwe nummering waarschijnlijk 80) overnemen. Denkelijk ging het gezinnetje boven de winkel wonen, zodat Antje de winkel kon waarnemen wanneer Gerben, die tevens baas op de werf Vooruit was, een klus in de haven moest opknappen. Antje's vader Roelof Bijlsma woonde van 23 nov. 1911 tot 16 oct. 1919 bij het gezin in.

Inline afbeelding 6    Nieuwsblad voor den boekhandel, 13 maart 1906

In de Verkiezingslijst van 1919-1920 s Gerben de Bruin kiesgerechtigd voor de Kamer – Staten en gemeenteraad, adres nog steeds Driebanen wijk I. 440. Het adresboek van Belastingplichtigen van de  Hoofdelijke omslag in Enkhuizen, 1914 geeft aan dat het jaarlijks inkomen van Gerben de Bruin ƒ 250 is, na aftrek van ƒ 300.  Waarvoor in 1914 het bedrag van ƒ 10.27 moet  worden betaald.

Hein ging naar de Raamstraatschool, een gereformeerde school waarop ook Jos Lussenburg gezeten had. Hij wilde voor onderwijzer studeren, maar zijn vader, een burgerlijk ouderwets gezinshoofd, steil gereformeerd ook, aan wiens enorme dominantie Hein nooit ontgroeid is, liet hem bij een boer werken. De jongen was niet tegen het werk opgewassen, wat zich uitte in nerveuze neusbloedingen. Daarop bemiddelde zijn vader een kantoorbaan voor hem bij zaadhandel Sluis & Groot, waar hij bevriend raakte met Harmen van der Leek. Evenals Van der Leek ging Hein Duitse lessen nemen bij de Enkhuizer H.B.S.-leraar B. A. Buningh, die hem niet alleen voor het diploma Duitse handelscorrespondentie opleidde, maar ook belangstelling voor de Duitse litteratuur bij hem opwekte. Meer over Buningh op de pagina van Van der Leek.

Hein begon te lezen. Op 3 nov. 1920 vestigde hij zich in Amsterdam, de datum van inschrijving in het bevolkingsregister is 5 nov. 1920. Hij ging een opleiding M.O. Duits volgen en kreeg een aanstelling als Duits handelscorrespondent bij de Incassobank, Heerengracht 531—537. Na enige omzwervingen woonde hij vanaf 1923 aan de toenmalige stadrand in Amsterdam-Zuid, vlakbij het stadion. Van het centrum moest hij niets hebben.

Ontvlucht het hete Babel van de krant,
al woont in koeler wijk uw predikant,
ga voort ; de wind waait in het randgebied
toch luchtiger, en uit de eerste hand.

[los kwatrijn]


Inmiddels was hij getrouwd met Trijntje Ney uit Ameland (Hollum 21 jan. 1900 - A'dam 3 jan. 1972), die in Enkhuizen als dienstmeisje werkte. Hij had haar ontmoet "op een muziekavond in de Tuinen" (er stond een muziektent op de Paktuinen in Enkhuizen) in 1917. Het huwelijk werd op 8 juni 1922 op Ameland gesloten. Hein zakte echter voor zijn examen M.O. Duits en raakte in een depressie, hij gaf de studie er aan, wist een kantoorbaan bij de Incassobank te krijgen en begon te schrijven.
   Gerben had inmiddels een scheepsagentuur. Heins ouders waren 12 april 1926 naar Amsterdam verhuisd en in 1929 bij het echtpaar om de hoek komen wonen. Heins vader zal misschien uit vaderliefde gehandeld hebben, in de niet onterechte mening dat zijn zoon steun nodig had, wie zal het zeggen. Maar voor Hein en zijn gezin was zijn permanente aanwezigheid een ramp. Gelukkig keek de vader met ontzag tegen ds. Geelkerken van de Amsterdamse Parkkerk op (waar hij ouderling was), zodat hij zijn zoon de omgang met de dominees Buskes, Smelik en Kroon niet verbood. Via het open klimaat van het Hersteld Verband kwam Hein ook in contact met mannen als Fedde Schurer, Henk van Randwijk, Piet Venemans, Gabriël Smit en Klaas Heeroma (= Muus Jacobse). Men ontmoette elkaar in de kringen rondom het protestants literaire tijdschrift Opwaartsche Wegen, dat in 1923 mede opgericht was door Harmen van der Leek, die zijn M.O. Duits aan de Universiteit van Amsterdam wèl had gehaald. Van der Leek zou in 1936 aan de Amstel bij Ouderkerk gaan wonen, niet ver bij De Bruin vandaan, een kwartiertje fietsen door de polder. De Bruin was overigens niet eenkennig in zijn contacten, ik denk bijv. aan de communist Henk Henriët en de katholiek Anton van Duinkerken. Onder hen bevonden zich veel latere verzetslieden. Van der Leek werd reeds in 1941 gefusilleerd. De beeldhouwer Henriët, ondergedoken in Laren bij Françoise van den Brink, werd in 1944 opgepakt en uit Amersfoort naar Neuengamme getransporteerd waar hij in leven wist te blijven, maar ging op 3 mei 1945 jammerlijk met de Cap d'Ancona bij Lübeck ten onder.
   Hein knapte op en zat niet stil. Hij snuffelde in antiquariaten, al moest hij er de stad voor in. Hij moet zich een ongeluk hebben gelezen. Na bijdragen van diverse aard in De stuwing van de A.M.V.J. debuteerde hij in 1928 als dichter in Opwaartsche Wegen. Van 1932-1936 en 1939-1940 was hij redacteur van dat tijdschrift. Tussendoor zat hij van 1936 tot 1939 in de redactie van De Werkplaats, opgericht door ondermeer Pierre Smit en Klaas Heeroma, en van Elckerlyc, waarin De Werkplaats in 1938 was opgegaan en dat een jaar later opgeheven werd. In 1932 verscheen zijn eerste verzenbundel Het ingekimde land, in 1933 werd hij lid van de Commissie voor de Litteraire Radiolezingen van de N.C.R.V., in 1934 kwam zijn autobiografische roman Wat blijft uit. Hij leefde op, hij zag een toekomst, hij moet zich herboren hebben gevoeld, zou je denken. Ondertussen "heeft [hij] door alles heen iets provinciaals gehouden, hij blijft gebonden aan zijn jeugdmilieu" (Heeroma).
   Makkelijk gezegd, maar Heeroma (de dichter Muus Jacobse) bleef op zijn beurt hinderlijker dan de Bruin hangen in de traditionele monotonie van God-en-de-jambe (deze aardige term leen ik van H. J. Smeding in 'Kroniek', maandschrift Apollo nr. 4, maart 1946). De Bruin stapte op jambische pentameters over straat naar de bakker, denk ik, maar in zijn poëzie weet hij het ritme ook te breken.

In 1913 is verschenen Michiel van Diggelen, Ab Visser, Biografie. Daarin staat een goed relaas over de periode 1930-45 in gereformeerd literair Nederland, met leuke inkijkjes.

Maar het was geen uiting van jeugdig élan om secretaris van de Christelijk Letterkundige Kring Amsterdam en hoofdbestuurslid van het Verbond van Christelijk Letterkundige Kringen te worden, en begrijpelijk maar niet zo verstandig was zijn aanmelding als lid van de Christelijke Auteurskring. In die hoek had hij zich nu stevig vastgepind. En nogal ongelukkig was het omslag van Man en Macht. In het titelverhaal gaat vrijgezel Willem Wouter Wezelman, een zielig moederskindje, voor een vacantie van tien dagen naar Zwitserland. (De Bruin had omstreeks 1923 in Zwitserland rondgekeken.) Het is 1937. W.W.W. voorvoelt mobilisatie en chaos. "Het is in Oostenrijk weer aan de gang [...] U weet even goed als ik waar het naar toe gaat. [...] Ik kan het nu nog doen [...] dát wil ik dan tenminste nog gezien hebben." Het omslag bestaat uit een portretfoto met de titel ‘Man en Macht’ in lichtreclameletters dwars over het voorhoofd van de geportretteerde gedrukt, door Top Naeff getypeerd als een "indrukwekkende jonge man, de oogopslag fier uitdagend, neus krachtig geplant, mond en kin vastberaden", "die voor aan de stoet het vaandel draagt door een stille en vredelievende straat." Het tegendeel van De Bruin dus. Naeff besprak het boekje en besteedde de helft van haar recensie aan het bizarre omslag. Verder heb ik er nooit iets over gelezen, maar in de uiterste rechterbovenhoek van het omslag staat piepklein K.H. en de man op de foto is Klaas Heeroma (1909-1972), sinds 1935 dr. Heeroma, of zijn tweelingbroer. Maar Heeroma had geen tweelingbroer, dus is hij het zelf. Normaliter zou je K.H. voor de initialen van de ontwerper houden; in dit geval weet ik niet wat ervan te denken. Zo blijft de vraag onbeantwoord wie de ontwerper was en waarom niemand heeft gezegd "Stop! Dit kan niet!". "De uitgevers zouden een jong auteur al een bijzonder slechten dienst bewijzen met een dergelijke uitmonstering van zijn werk, die den lezer niet anders dan met vooringenomemheid en tegenzin kan vervullen ten opzichte van den inhoud" (Naeff). Mystificatie, 'beetje dom'? De lezer mag er naar raden. Naeff heeft in het vervolg van haar recensie De Bruin overigens goed gepeild, hij heeft tot zijn voordeel in de hem voorgehouden spiegel kunnen kijken, mocht hij dat gewild hebben.

Inline afbeelding 1
Inline afbeelding 2

Haagsche courant 9 mei 1940, een paar uur voor de Duitse inval.

 

De spanningen van het innerlijk conflict met het ouderlijk huis en het daar beleden christelijk geloof werden obsessief, de wrijving tussen kunstenaar en gelovige onder zijn schedeldak verhitte zijn hersens, de gedachte aan een breuk met de officiële kerk kwam op, maar De Bruin was geen vlotte beslisser. De besloten protestante coterie van schrijvers en uitgevers waarmee hij geassocieerd werd stond een bredere erkenning van zijn dichterschap in de weg, maar daar vond hij nu juist zijn vrienden en tenslotte hulpverleners – hij wist niet goed meer wie hij was .... wie hij waren.

Pas op, uw preek wordt spoedig een van beiden :
des herders breikous als de schapen weiden,
of – en ze boeit dat aller ogen blinken –
het speels betoog van een vernuftig heiden.

(Los kwatrijn, voor ds. J. Buskes)

Inbeelding die een ijdel hart meedroeg
een leven lang en niet versmijten kon,
waar was het dat zij dreigend herbegon
zich te verheffen en gestalte vroeg? –
Hij dacht. En vond een uitkomst evenmin,
maar raakte bijster in het eigen hart.
– Want wie de ganse kluwen heeft ontward,
die weifelt tussen einde en begin. –

(Uit: De besluitloze)

 

Inline afbeelding 1

De Waarheid 19 juni 1945

Na een depressie tegen 1940 bracht een valse beschuldiging van collaboratie Hein in 1945 definitief uit zijn wankel evenwicht. Het verlies van zijn in 1946 verworven baan, chef pers en publiciteit bij het ‘Nationaal Instituut’, in datzelfde jaar weer opgeheven, gaf de laatste klap. Een halve baan bij het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het latere Meertensinstituut (‘Het Bureau’ van J. J. Voskuil, waarin Beerta=Meertens), bood hem “geen schip om te varen en geen land om te aarden” (Peelen). Hij kon zijn gezin niet meer onderhouden. Hein was opgebrand. Op een foto schreef hij op zijn voorhoofd "Ik ben gek". Als er iets over De Bruins laatste levensmaanden gezegd moet worden, dan is het wel dat Jan Buskes daarin een waarachtig vriend geweest is. De Bruin werd tweemaal opgenomen in de Valeriuskliniek, maar helaas zag de behandelend psychiater het niet zo ernstig in en zond De Bruin ontijdig heen. Op 10 juni 1947 benam hij zich het leven, een dag voordat een van zijn dochters in het huwelijk zou treden. Hij werd onder grote belangstelling begraven op Zorgvlied.

Inline afbeelding 5

De vrije kunstenaar 2 juli 1945

Niet alleen die Ballade van het Gilde had hem parten gespeeld, ook het feit dat hij eens weggelopen was uit een kring van litteratoren, onder wie de felle van Randwijk, waar men nogal heftig tekeer ging over de bezetters. De Bruin vond dat te gevaarlijk, je wist immers niet wie je kon vertrouwen.
Van de moeilijkheden op zijn levenspad kon De Bruin geen afstand nemen. Zijn verbijsterend gebrek, niet aan weerbaarheid per se, want ter redactie kon hij zijn standpunten wel verdedigen, maar aan geestelijke zelfbescherming, ook tegen zijn vader en diens wereld, dat defect lijkt de kern van zijn stoornis. Houvast zocht hij in zichzelf, maar vond het niet ; en het vullen van al die bladzijden van Wat blijft met zorgelijk humorloos proza kan de schrijver ook weinig goed gedaan hebben, het heeft hem veeleer in zijn benauwenis versterkt. Maar in zijn dicht- en schilderwerk vond hij afleiding en zelfs geluk, ook al kon hij er zijn identiteitscrisis niet mee bezweren. Het ene deel van zijn ziel bleef het andere deel zoeken en verstoten en vice versa. Zwei Seelen kämpften, ach, in seiner Brust. De Bruin leefde tege­lijkertijd in het heden en in zijn jeugdjaren, zou je bijna kunnen zeggen. Overigens, zijn dichtwerk kent wel degelijk eigensoortige humoristische trekjes. Zo eindigt Regen in Bussum met het woordspelige "Het regent in zijn paradijs", een knipoog met onverholen zelfspot – zonder cynisme – van de miezerige kantoorman onder de grijze hemel naar Marsmans Paradise regained, waar de zon en de zee bliksemend openspringen, waaiers van vuur en zij[de], de blonde vrouw die zorgeloos zingt aan zijn zij. Maar wiens schip, "gereed voor de reis", op 21 juni 1940 jammerlijk verging. De Bruin zal deze levensdualiteit scherper aangevoeld hebben dan menig ander, die het leven 'neemt zoals het komt'. In het gedicht wordt hij de jongen die hij ooit was, de man naast hem is uit de jongen gekropen, hij heeft hem gebaard, maar het is een illegaal. Zou de omgekeerde weg begaan kunnen worden? Zou de gedachte in de Bruins onderbewuste geleefd hebben dat hij na zijn dood, die hem een verlossing was, misschien in een nieuw Enkhuizen zou herrijzen? "Terug naar 't Paradijs"? Waaiers van vuur, ach, zo extatisch, een Vuurtje was Hein genoeg. Bij een blauwe lucht.

Dit is in Bussum, dat ik amper ken,
waar ik de weg niet weet en dus verdwaal,
en wandelend verander andermaal
tot wie ik was, tevoren, en niet ben
nu ik de man naast mij, uit mij, herken,
verscholen en voortvluchtig ...

Uit: Regen te Bussum (1947)

Jos Lussenburg mocht zich bij tijd en wijle graag aan een stichtelijk gedicht bezondigen. Hij had geen psychische problemen zoals De Bruin. Maar het is wel wat navrant, bedroevend eigenlijk, een van zijn rijmen te zien beginnen met de regels

Mijn leven kent één groot verlangen,
om dat te zijn, wat ik niet ben.
Ja heel mijn zijn is levenshonger,
verlost te zijn van wat ik ben.

't Komt uit dezelfde achtergrond. Lezen in de eigentijdse helft van ‘Tenzij Gij mij zegent. Gedichten over God’, een bloemlezing uit 1960 van J. W. Schulte Nordholt, maakt niet blij. Op een gegeven moment gaat ook de traagheid van die meestal metrische gedichten tegenstaan. Van De Bruin is opgenomen de aanhef van De Brief en een vertaling van het quasi-naieve Gebed, met de ezels, om het hemelrijk te mogen binnengaan van Francis Jammes (1868-1938) (niet opgenomen in Hazeu 1976). Het zowat enige dactylische gedicht is ’Lezend in mijn boot‘ van Marsman, een frisse bladzijde tussen de clichés. De snelle drievoet (– _ _ ) past zo aardig bij zijn beginregels

Ik was nog een jongen toen ik voor het eerst
het verhaal van den Vliegenden Hollander las.

Van Opwaartsche wegen (1923-1940) moet daarentegen gezegd worden dat de orthodox-gereformeerde allergie voor kunst er kritisch bekeken werd. Harmen van der Leek zette met Het manco-vraagstuk in jaargang 1 de toon. Na 15 jaar hevige discussie was het tijdschrift toch zover gemoderniseerd dat een zekere Annie Schmidt er toegang kreeg met

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten
Maar in de bibliotheek een volontair
Die hunk'rend op een baantje zit te wachten
En boeken uitleent met een zeker air.

De Bruin trof ik gebloemleesd aan in Twee recht twee averecht van A. Bosman en C. Buddingh' (1942, Illustratie), in Levende dichters van W. J. van der Molen (1946, Aanhef van een brief), in KOMPAS der Nederlandse Letterkunde (Regen te Bussum), en in Dichterkeur van W. L. Brandsma (1949, Job). Ook in tijdschriften als Ad Interim en De Gids uit die jaren komt men De Bruin soms tegen. — De Bruins Regen te Bussum, a.h.w. een nagelaten zelfportret, herinnert aan 't Rad der Geboorte (1941), waar men zijn alter ego's kan vermoeden in dediscussies tussen een kantoorbediende en andere figuren, en aan zijn vertaling (1946) van Shelley's Julian and Maddalo (1818), een tweespraak over levensopvattingen gevolgd door de monoloog van de Waanzinnige over de liefde. Shelley heeft er een bijschrift bij gekozen, uit Vergilius, waarvan ik De Bruins vertaling geef, alleen om te laten zien wat de man kon.

The meadows with fresh streams, the bees with thyme,
The goats with the green leaves of budding Spring,
Are saturated not – nor Love with tears.

Geen wei van water, noch van tijm de bij,
noch ooit de bok van bottend lentegroen
verzadigd wordt – noch Liefde van geween.

Behalve door Henk Krijger in een helaas te kort artikel (zie litt.) is over De Bruins schilderen niets wezenlijks geschre­ven. Ik probeer dit onderwerp hier wat uit te diepen. Gedichttitels als Bij een schilder, Vincent van Gogh, Poseren, Aquatinta, Illustratie verraden iets over De Bruins ‘verborgen omgang’ met het penseel. Tot 1940 heeft hij aan zijn tweede, onvoltooid gebleven roman De verborgen omgang gewerkt. Voor de hoofdfiguur, de schilder Rienk van der Mark, heeft De Bruin zelf model gestaan. “Alles wat hij heeft geschreven kan, wanneer men het woord een beetje ruim neemt, autobiografisch genoemd worden. Hij heeft eigenlijk maar één, duizendmaal gevarieerd, motief gehad: de confrontatie van het zich bevrijdende Ik met milieu en gemeenschap waar het door geboorte en omstandigheden aan verbonden was. Het tot in het oneindige herhaalde motief wordt dan begrijpelijk als men inziet dat het kunstenaarschap in de tweede helft van De Bruins leven altijd de functie heeft gehad van een hersteller van een verstoord geestelijk evenwicht.” (Heeroma). De gepubliceerde fragmenten van De verborgen omgang vind ik beter geschreven en interessanter – opener, eigentijdser, puntige dialogen – dan het beklommerde Wat blijft, dat ook lijdt onder een gebrek aan lange adem. De ontboezemingen van Van der Mark over zijn schilderen en over de schilderkunst zijn werkelijk boeiend, ze maken nieuwsgierig naar het schilderwerk van Hein de Bruin, die zich hier doet kennen als s c h r ij v e n d    s c h i l d e r.  (Lussenburg was meer een vertellend schilder.) Maar voor een geslaagde roman is dat niet voldoende ; misschien is het toch een gelukkige omstandigheid dat De Bruin geen uitgever voor De verborgen omgang heeft kunnen vinden, zodat hij het werk eraan gestaakt en zijn energie op andere projecten gericht heeft. Immers, de bundels Hernieuwd herdenken (1941) en Ebben en ivoor (1945, met de Brief aan God, een sonnettencyclus) zullen na zijn dood steeds weer de aandacht van een klein maar bestendig publiek blijven trekken. Déze Hein de Bruin, deze "Abseits, wer ist’s" zal altijd lezers vinden. Multis paucum, paucis multum. — Om enige oriëntatie bij de reeds genoemde en nog te noemen titels te geven zou ik De Bruins schrijversjaren willen indelen in ‘Aanloop’ (1927-1937) en ‘Rijpheid’ (1938-1947). In 1945 meldde hij zich als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde aan. Tijdens de bezetting zal hij dat niet hebben willen doen. Met tekenen en schilderen was hij al veel eerder begonnen, in zijn Bentveugeljaren.

            H. Krijger, een drinkende man.

Henk Krijger, die de illustraties bij 't Rad der Geboorte maakte, zou in 1950 schrijven : “Ik weet dat hij in zijn boekenkast vele plaatwerken had en dat hij gaarne van tijd tot tijd daarin bladerde, bijvoorkeur in de boeken over de grote impressionisten ; ik kan in zijn proza meer dan één passage vinden waarin hij ‘schildert’, bewust dat ene woord zocht dat werken moest als de ‘lekkere toets’ die in het impressionistische schilderij ‘'t 'm doet’. Vaak wees hij mij zelf zo'n woord aan en daarbij gebeurde het niet zelden dat hij meteen herinnerde aan een of andere zeer bepaalde verfveeg bij Manet of Utrillo. — Ik herinner mij nog meer : de fietstochten die ik met hem maakte door Noord-Holland. De wijze waarop hij dan het landschap overzag, de aanblik van dorpen en stadjes genoot, was steeds die van de schilders uit de Haagsche School”. Krijger doelt hier ongetwijfeld op Tholen c.s., die door sommigen tot de Haagsche School werden gerekend, door anderen tot de periferie of een vernieuwing ervan ; maar laat de etikettering ons niet bezig houden.

Hein de Bruin - Zicht op 'onbekend'

 

Op de hier met dank aan Ed Nieuwenhuys afgebeelde olieverf op canvas van Hein de Bruin (familiebezit) uit 1923, zien we een aangemeerde boot, een rivier of plas en op de achtergrond een dorpsgezicht met kerk. Eerste gis : Ouderkerk a/d Amstel, Urbanuskerk. De kerk heeft nog altijd hoekspitsen, maar spitsen van díe lengte hebben de kerk mijns wetens nooit gesierd en de dakruiter is altijd opengewerkt geweest. Toch pleegt de eerste reactie van bekijkers die de streek rond Amsterdam kennen, te zijn : Ouderkerk! Als het Ouderkerk is lijkt De Bruin het decor ietwat naar zijn hand gezet te hebben ; dat deden schilders wel vaker ("ik ben geen foto­graaf !"). Het gaat op dit schilderij om schip en kerk. Breukelen hééft die zijspitsen in elk geval, maar niet de dakruiter. – Andere gis is Langeraar. Het aanzicht over de plas gooit hoge ogen. Maar de lange verticale torenramen van die kerk kloppen niet met wat bij De Bruin te zien is. Het is verleidelijk De Bruin even te citeren : “Rienk keek van de kade neer op het scheepje dat in de bocht lag voor de pakhuizen. Hij bezag het zooals een koper het zou schatten ; tevoren, uit de verte, had het zijn aandacht getrokken, zo prachtig omhoog met het brede achterstuk, met de zinking van de bakboordslijn” (De verborgen omgang). Uit de context is op te maken dat De Bruin hier ten zuiden van Amsterdam in de laatste sneeuw aan het rondzwerven was, tevergeefs op zoek naar iets waarover zijn inspiratie vaardig kon worden. Maar hij is naar deze locatie teruggekeerd, schrijft hij. – Al heeft De Bruin het bouwwerk mogelijk uit Ouderkerk, Weesp, Breukelen enz. tezamen opgetrokken, hij heeft het neogotische karakter ervan geschouwd en grandioos op het doek gezet, al dan niet overeenkomstig de feitelijke toestand, met extralange neogotische nevenspitsen, zoals op de Vitus in Hilversum, die ook de aandacht van de schrijfster Henriëtte Mooy hebben getrokken (in Maalstroom I, 1927).

Sonnetten
Een sonnet of klinkdicht telt 14 regels, het is een teldicht dat bestaat uit twee kwatrijnen en twee terzinen, soms drie disticha. De Bruin had een voorliefde voor dit stramien. Zijn eerste gedichten uit 1927 waren sonnetten, waarvoor hij nauwelijks geoefend had, het kwam vanzelf. "Ontegenzeggelijk hebben verscheidene uitmuntende gedichten de sonnetvorm. Doch zonder de sonnettenmanie, de vooropgezette wil, of de sleur, die welhaast elke dichterlijke ingeving, elk wordend gedicht, in deze richting drijft, zouden er hoogstwaarschijnlijk meer echte gedichten bestaan" schrijft Hendrik de Vries in Vers tegen vers (1949). Mét al zijn sores was De Bruin een natuurtalent. Onderstaand sonnet beschrijft het zicht op Buitenveldert vanaf de Stadionkade in Amsterdam-Zuid, die toen aan de stadsrand lag, waar De Bruin vlakbij woonde. [Daarover is op de pagina over R. S. Bakels van deze site al geschreven].

BUITENKANT (1927)
Temidden woestenij van blinkend zand
de stad met gasthuisramen en barakken,
en achter 't schaduwspel der hofsteewrakken
de blauwe sfeer van 't zonnig platteland.

De bomen redden hun ontstelde takken
uit de ruïnemurwe waterkant;
in de herrezen ruimte ligt het land
naar 't levenwekkend licht te snakken.

Er klungelt sloom een wegje uit de laan
een hofje langs met omgevallen hekken:
wenkt niet een hoge armenzwaai: terug?

Wijdbeens zich naar de hemel uit te rekken
staat daar een korengele ophaalbrug,
die zijn opale poort laat opengaan.

Dit thema, de grootschalige inbeslagneming en vernietiging van het landschap, speelt vaker, zo in De verborgen omgang : “Er stond een overblijfsel van dorpse huizen in de wegslinkende laagte achter de wal links, daar dreef nog een verkaveld weidje tusschen de sloten ; het hekwerk aan de grens van de zandopspuiting streefde nog teweer tegen een kudde die reeds was uitgedreven naar een verte waar haar heimwee zweeg. Alleen het gekef van een schipperskeesje kwekte nu en dan door de avond, echter zo vergeefs, dat niemand er door kon worden aangestoken om zich te ergeren.” De Bruin woonde 1923-1930 gevoelsmatig niet in een nieuw huis in een straat die uitkwam op Olympiaweg en Stadionweg in Amsterdam met een tramverbinding naar kantoor, maar bovenop een ondergewalste landelijke samenleving, met zijn rug naar de stad – het heden –, en tegelijk met zijn rug naar de stadsuitbreiding – de toekomst –, en wenste zich in ‘zijn stadje’ – zijn jeugd. De meeste van de hier passerende kunstenaars waren zeker geen geharnaste ‘laudatores temporis acti’, maar wél waarschuwers (Thijsse), hoeders van het waardevolle uit die verleden tijd (Kint), of vastleggers (Tholen) c.q. beschrijvers èn vastleggers (Lussenburg) van wat ten onder ging, anderen waren daarbovenuit actief bij pogingen om verwoesting die als ‘ontwikkeling’ en ‘vooruitgang’ gepresenteerd werd tegen te gaan (Tamson). Deze sluipende maatschappelijke ontwrichting liet Hein de Bruin in zijn dichtwerk niet onberoerd, mede omdat :

Men zeide dat behalve de Schriftuur
een boek van U bestond met grote letter:
de vrome vader gaf het naast den ketter
verscheiden titel : Schepping – en Natuur.
Uit: Brief aan God

Aan de Schepping, aan de Natuur moest men zich niet vergrijpen. Tegelijkertijd meende hij dat met name in de kerk niet alles bij het oude kon blijven. Twee sonnetoctaven uit Het ingekimde land :

Voorjaarsmorgen in de stad
De villarijen met omgrind gazon
langs 't roerlooze kanaal der buitenwijken
staan rooz’ en fonkelnieuw vernist te prijken
in ’t glanzig gloriën der morgenzon.

De heiers op het braak terrein rondom
gebieden ’t zwarte ramblok haal’ en strijken;
wíj gaan in de begoocheling der rijken
een eindweegs, opgeluchter, door de zon.

Agrarisch
Het handwerk bond ze allen dag. Ze namen
maal en slaap als dagelijksch kort verzet,
en waren haastig in hun vroomheid met:
Heer, zegen deze spijs – verkwik ons, amen.

Wanneer ze 's zondags in het kerkje kwamen
voelden ze mínder, méér hun schuld en smet
naardat in 't blinken, duistren van 't rozet
God vriendlijk zag of toornig door de ramen.

De Bruin toonde niet alleen in zijn dichterschap enige sociale betrokkenheid. Hij ontmoette in kringen van de Christen-Democratische Unie Piet Meertens, die hem in 1946 nog voor halve dagen op zijn bureau zou laten werken. Deze kleine partij was tegen AR en CHU omdat die niet sociaal genoeg waren en tegen de SDAP omdat die niet christelijk was. De CDU kwam dus ‘middendoor’ in de Kamer. Ze had een soort denktank waarin naast o.a. Schurer, Van Randwijk en Buskes, via Meertens ook Hein de Bruin korte tijd aan de discussies deelnam. Maar hij was eigenlijk meer Barthiaans-theologisch dan politiek geïnteresseerd. Het aanvangskwatrijn van Dimensies schetst een vredige toestand die tamelijk duurzaam zou kunnen zijn, zonder bevolkingsaanwas en groei-economie, maar De Bruin besefte wel dat dat in elk geval in zíjn dagen een utopie was.

Dimensies
De huizekens in hun geflikten staat
zijn met een stal en aangezette schuur
voldoende voor het bergen van de baat
der liefde, samenleving en natuur.



2. Zeilboten gezien vanuit haven Enkhuizen, 1944.


WILLEM BASTIAAN THOLEN (1860-1931)

De Bruin's sonnet W. B. Tholen (1860 - 1931) uit Hernieuwd herdenken (1941) is een in memoriam. Het is een van De Bruins mooiste gedichten. Natuurlijk gaat het niet alleen over Tholen maar ook over De Bruin zelf, maar dat maakt het alleen maar persoonlijker, indringender. Laten we eens kijken naar Taal, Tijd, Plaats, Beeld en Geluid in dit gedicht. In de weergave - verder onder - zijn naast de regels kolomsgewijs de sleutelwoorden uit de categorieën geluid, licht, plaats en tijd geplaatst. De acht beginverzen pleegt men het octaaf te noemen, de zes slotverzen het sextet.
In dit sonnet ligt tussen het octaaf (±1914-1920) en het sextet (vóór 1941) chronologisch de dood van Tholen (1931), zie kolom 2. Het gedicht begint als volgt :

's Namiddags zwervende in drukke pret,
– schooljongens die liefst rond de haven dolen –
ontdekten wij hem soms, ietwat verscholen
gedoken op zijn lage taboeret.



          3. Onbekend. Kunstschilder omringd door kinderen. Naar Anton Mauve. Marouflé, 32 x 43 cm.

Anton Mauve (1838-1888) huwde met een nicht van van Gogh en heeft hem nog schilderlessen gegeven. Zijn laatste en meest productieve jaren bracht Mauve door in Laren NH, waar hij een van de oprichters van de z.g. Larensche School werd. De schaapskudden daar in de omgeving heeft hij dikwijls vereeuwigd. Door veel toeristen en kunstkenners werd het Gooi dan ook wel 'Het land van Mauve' genoemd. Tot in Amerika genoot Mauve Land bekendheid. — De signatuur A. Mauve r.o. is niet van echt te onderscheiden. Het voorbeeld dat de onbekende aankomende schilder gecopiëerd heeft ken ik niet. Het zijn geen boerenkinderen die hier bij de geïmproviseerde ezel staan te kijken : ik zie geen klompen.

De plaatsaanduidingen (kolom 3) begeleiden een verinnerlijking. De eerste twee strofen zijn buiten gesitueerd. Het eerste kwatrijn heeft de ruimte : de grote speelplaats die de haven voor de Enkhuizer jeugd was. In het tweede kwatrijn krimpt de locatie tot de eerbiedige kring om Tholens schildersezel, en vervolgens tot het kleine formaat van zijn palet. De derde strofe voert naar binnen (in een museum of tentoonstellingsgebouw). De vierde strofe is een merkwaardig geval, ze ontstaat binnen de beslotenheid van de schedel, de zetel van de faculteit der overpeinzingen ; maar ze denkt zichzelf tot (droom)-werkelijkheid in de haven, waar het sonnet ook begon. De Bruins inhoudelijke indeling volgt de sonnetvorm 4+4+3+3. Plaats en tijd lopen met de vorm mee.
  In dit sonnet is ook een geluidsverloop aanwezig : na de "drukke pret" van het begin wordt het gaandeweg rustiger. In kolom 1 is dit decrescendo of diminuendo – om het in muziektermen te zeggen – over 10 regels aangegeven. Men kan zich voorstellen hoe De Bruin, wanneer hij het gedicht voorlas, het octaaf levendig en luid inzette, in de tweede strofe rustiger en zachter ging spreken, vóór "Gestorven —" gebaren en hoofdbewegingen bevroor en een kleine caesuur maakte, en erna een stilte liet vallen. Zijn toch niet alledaagse Nederlands leent zich er voortreffelijk voor gedeclameerd te worden.
   De laatste terzine speelt zich in het hoofd van de dichter af, hier luistert het innerlijk oor. Naast de versregels staan de sleutelwoorden van dat diminuendo. Op de valreep leidt "neuriet" naar de verinnerlijking van wat gezegd is in de derde strofe. Neuren (neuriën) is binnensmonds zingen zonder tekst. Dat neuriën is afkomstig van Tholens schilderijen aan de wanden, waarover de derde strofe gaat, ze ‘zingen’ zachtjes herinneringen. Hun ‘vibratie’, zou wijlen de meester­schilder Terpen Tijn zeggen, brengt ze tot leven. “Vibratie, makker!”. Wat Tholen geschilderd heeft, heeft hij – in de poëtische zegging van De Bruin – "gedicht". Terzijde : de klank van de naam Utrillo deed De Bruin denken, zo schrijft hij, aan “iets trillends, aan het vibreren van kleuren, aan een, misschien niet helemaal volgehouden, pointillé”.
We moeten even stilstaan bij die ingelijste gedichten en die neuriënde schilderijen. Het is hier met De Bruin erger gesteld dan Houwink kapittelend opmerkte, De Bruin heeft een eigensoortig mini-Gesamtkunstwerk gewrocht. Dichten, schilderen, zingen? Poëzie = schildering = muziek.
De kleur- en lichtaccenten in het gedicht spreken voor zichzelf, behalve in de slotregel "binnen de klaarte van het Havenlicht". Het havenlicht is de lichttoren, ‘het Vuurtje’ op het Zuiderhoofd van Enkhuizen. Buiten die lichtkring is het donker, tenminste voor de lijfelijke De Bruin, anders zou het havenlicht niet branden. Voor Tholen gaat het in overdrachtelijke zin om het hemels Havenlicht. Voor De Bruin ook.
De tijdsprongen in kolom 3 eindigen tussen 1931 (Tholens overlijden) en 1941 (publicatie van het gedicht). Wanneer De Bruin het precies geschreven heeft is niet bekend.
Kolom 4 tenslotte, van het innerlijk gezicht. Het octaaf eindigt met de droom van Tholen. Het gedicht krijgt een cyclisch karakter doordat het sextet eindigt met de droom van De Bruin, die in de periode na Tholens sterven (1931) een nieuw leven voor zich zag opengaan. Hij deed inspirerende contacten op bij Opwaartsche Wegen en daarbuiten, hij bleek te kunnen schrijven, sterk autobiografisch weliswaar en dus veel over vroeger, maar omdat hij aan zijn jeugdjaren in Enkhuizen ondanks de beklemming van het ouderlijk gezin de meest gelukkige herinneringen met zich meedroeg, was dat geen straf voor hem. Hij blijkt Tholen te associëren met dat blije part van zijn kinderjaren. Tholens taboeret in strofe 1 stond niet ver van het Havenlicht in strofe 4, de lichtopstand (1888, op zijn Henkuzers 't Vuurtje). Daarmee sluit zich ook geografisch een cirkel.
Het woord Havenlicht schreef De Bruin met een hoofdletter, een symbool voor de Haven, de thuishaven van zijn en Tholens Heiland, wellicht als Hemel gedacht. Misschien, waarschijnlijk zelfs, had De Bruin weet van Tholens laatste levensweken, waarin deze het schilderij met de betekenisvolle titel Voor de Haven [van Enkhuizen] voltooide. Maar ook zonder Voor de Haven erbij te betrekken eindigt dit In Memoriam met twee gelaagde regels : in de ene laag doelt De Bruin op zijn eigen zonnige toekomstverwachting uit de jaren '30 (zijn hergeboorte), in de andere laag roert hij de overgang van de overledene naar het eeuwige leven aan — de voorstellingen die De Bruin en Tholen (die op zijn schilderszwerftochten altijd Herman Bakels’ Verklaring van het Nieuwe Testament bij zich had) daarvan hadden, zullen elkaar niet al te veel ontlopen hebben.

 1234
W. B. Tholen (1860 – 1931) GELUIDTIJDPLAATSGEZICHT
's Namiddags zwervende in drukke pret,drumoerrond 1910buiten|
– schooljongens die liefst rond de haven dolen –i|||
ontdekten wij hem soms, ietwat verscholenm||||
gedoken op zijn lage taboeret.i|| |
Wij waagden stappen op getipte zolen,nop getipte zolen|kring om|
als door een stilte tijdens het gebed.udoor stilte|Tholen|
Zachtbevend om de kleuren van 't palete||||
waren de vingeren de droom bevolen ...n||paletdroom
Gestorven. – In de middagstille zalen,ddood leegte stilte1931binnen|
oplichtend even in wat voorjaarszon,o|tussen 1931||
neurt wat hij van mijn stadje heeft gedicht.neurieten 1941||
o Weemoed dezer scheemrende verhalen.||gedachte|
Het leven herbegint waar het begon :|?||
binnen de klaarte van het Havenlicht.|||droom


Terzijde : "Op getipte zolen" = op de tenen, "de vingeren den droom bevolen" = de vingers bezig met de verven, om de voor het innerlijk oog al bestaande compositie op plank of doek tot leven te brengen. Neuren = neuriën, vgl. "De sijs is steeds rebelsch, laat die maar loopen, / Die heeft van allemaal het scherpste oor, / Hij neurt om kwart voor twee: ‘wees stil nu, hoor / 't Is Purmerend’ - de grond van al hun hopen" (uit het gedicht Volière van Henk Fedder in het Geuzenliedboek, Tweede vervolg, Lente 1944). "Zoo zoetjes ingetogen klinkt haar neuren, het is geen juichen en geen treuren" (Frans Muller, Meisje voor dag en nacht).
   (Persoonlijke noot : Over Purmerend kwamen veel vliegtuigen op weg naar Duitsland. Een neergeschoten vlieger werd voorjaar 1945 verborgen op het adres in Purmerend, waar ik als kind een paar weken verbleef. Ik had het vliegtuig en twee parachutes zien neerkomen, zag de man, begreep, en werd de volgende morgen kilometers uit de buurt ondergebracht. Als het kind zou gaan praten ....).

Taalkunst en kunstigheid. In de kwatrijnen rijmen vier einderegelwoorden, dolen, verscholen, zolen en bevolen, op de naam Tholen. De Bruins inval om de vocalen van de hem dierbare naam Tholen in de kwatrijnen te laten echoën transcendeert de kleine gebeurtenis daar aan de haven, die een bekroning vindt in het ‘umgreifende’ visioen van de slotregels. Deze directe echo's laat hij dan volgen door een verzwakte, gebroken, gefragmentariseerde echo. De scherven van de naam Tholen vinden we namelijk in de eindwoorden van de eerste terzine : zalen - voorjaarszon - gedicht, voor de duidelijkheid als volgt geschreven : zaLEN - voorjaarszOn - gedicHT, die de naam Tholen in zich dragen. Idem in de laatste terzine : verhaLEN begOn HavenlicHT. Te lezen in halfcirkels ( ( :

             zaLEN    verhaLEN
voorjaarszOn       begOn
           gedicHT   HavenlicHT

 

De Bruin heeft alles uit de kast gehaald om Tholen waardige regels ter gedachtenis te bezorgen. Zulk een naaminvlechting draagt voor de gemiddelde lezer weinig bij aan de schoonheid, maar verhoogt wel de kunstigheid van het gedicht. – Met een chronogram is dat eveneens het geval, je kunt je soms over de vindingrijkheid van de makers verbazen. Het gaat hier om de technische vaardigheid in een tekst een jaartal op te nemen, niet echt verborgen, maar zichtbaar alleen voor wie er enige moeite voor doet. Talloze schrijvers, componisten en eenvoudige chronogram­knutselaars hebben deze sport beoefend, lang niet alleen met Romeinse cijfers. De eerste drie regels van het octaaf tellen 19 woorden, de volgende vijf regels tot aan het woord "gestorven" 31 woorden. Tholens sterfjaar is 1931. Maar ... of het hier een toevalligheid betreft dan wel de intentie van De Bruin is geweest laat zich niet uitmaken. Verdere verkenningen in dit opzicht laat ik dan ook achterwege.
Het leven van De Bruin kennende is het met een lichte schok wanneer men na lezing van de aangrijpende regels “Het leven herbegint waar het begon : binnen de klaarte van het Havenlicht” zich realiseert dat De Bruin voor zijn ex-libris dit havenlicht, de vuurtoren van Enkhuizen op 't Zuiderhoofd gekozen heeft (afb. 2, ontwerp H. Deen te Amsterdam).
Een laatste opmerking over dit gedicht. In Wat blijft (1934) bespreekt de Duitse leraar Kramer (= De Bruins leraar Buningh) Goethes gedicht Das Göttliche met zijn pupil Antoon Eelebos (= Hein de Bruin). De Bruins gedicht W. B. Tholen heeft met Goethes Das Göttliche gemeen dat het begrip ‘het leven herbeginnen’, ‘herboren worden’ er een rol in speelt. Ik heb me weleens afgevraagd of de naam Eelebos (Edelenbos) door Goethes eerste regel en levensopdracht “Edel sei der Mensch”, geïnspireerd zou zijn. Mensen van die naam woonden overigens ook in Enkhuizen.

Citaten uit: Ab Visser, Leven van de pen. Klein mausoleum. Kruseman, Den Haag 1965.
< Zij, die Hein de Bruin gekend hebben, bewaren de herinnering aan een rechtschapen man, met een stug Fries karakter, een talentvol dichter en schrijver, die met toewijding en grote ambachtelijke zorg aan zijn niet zeer omvangrijk literaire werk arbeidde. Zijn karakter, eenvoudig van struktuur, naar het leek, maar met angstvallig verborgen gehouden diepten, nam duidelijk vorm aan in zijn hoekig en zorgelijk gezicht. Hij had niets van de romantische dichter, van de bohémien en de artiest in zich. [...] Hij was zeker geen ‘verteller’; de dikwijls allitererende titels van zijn boeken als Man en Macht, Schalm en Scharnier, om er een paar te noemen, verraden de estheet die meer cerebraal dan hartstochtelijk te werk gaat. Omdat hij desondanks leefde voor en in zijn werk, schreef hij vaak opmerkelijke dingen. Hij behoorde bovendien tot de zeer weinige dichters die hun werk graag en goed voorlezen, met luide stem, illustrerende handgebaren en niet zonder een zweem van retoriek. De enkele keren dat ik hem uit zijn werk hoorde voordragen, werd ik getroffen door deze oprechte rederijkerij, die belachelijk zou zijn geweest wanneer ze niet door een waarlijke bezieling zou zijn gedragen, wat bij hem ongetwijfeld het geval was.
Ik leerde hem voor de oorlog kennen. Hij was één van de (meest consciëntieuze) redacteuren van ‘Opwaartsche Wegen’, waarheen ik mijn eerste dichtproeven en prozastukken stuurde en toen ik, gedurende een fietstocht door ons land, ook Amsterdam aandeed, zocht ik hem daar, hoog in zijn bovenwoning in Zuid op. Het was het onzekere, verlegen bezoek van een debutant aan een gearriveerde dichter. Ik zal nooit vergeten hoe ik onder het genot van een paar boterhammen met aardbeien luisterde naar zijn ernstige leerredenen in poëticis. [...]
Intussen trad er een vernieuwing in zijn werk op. Van lyrisch dichter deed hij de enorme sprong naar de epiek en dramatiek en gaf daarmee het bewijs van een vitaal talent. Job en Paulus in Efeze zijn er de voorbeelden van. Hoewel hij als dichter dus een opvlucht maakte en één van de weinige ‘Jong Protestantse’ dichters was, die ook buiten de eigen enge kring erkenning en waardering vond, bleef hij in zijn uiterlijke levensstijl de typische kleine burger. Van het artistieke leven en zijn meer extreme vertegenwoordigers begreep hij totaal niets; hij bleef er de kat in het vreemde pakhuis. [...]
Hij bleef tot zijn einde, in 1947, de onschuld van een kind behouden, dat geconfronteerd werd met de harde, grote-mensen problemen. Hij werd een getourmenteerde: een rol waarvoor hij niet geschapen was, en zijn tragisch einde vervulde al zijn vrienden met ontzetting en verdriet. De overgrote belangstelling op het kerkhof bewees, dat hij een gewaardeerd dichter en een geliefd mens was.

 
God wordt ons op het vast land zo vertrouwd,
wij weten Hem als in gewoonte aanwezig, –
maar zwalkend zijn wij uitziend bezig
Zijn Licht te zoeken tot ons laatst behoud.                                     (Slotkwatrijn uit Vuurtoren.)


Hein de Bruin schiep zich met zijn taalgebruik een eigen instrument en een podium om zijn publiek te bereiken. Zijn taal heeft iets orakelachtigs, ik zoek vergeefs een beter woord. Gekunsteld, gezwollen kan het in zijn mindere werk misschien genoemd worden, maar in zijn betere momenten kloppen taal en inhoud met elkaar. Anderen klimmen op een zeepkist en argumenteren, klagen aan, verkopen, of bedrijven zending. Hein betrok van meet af zijn eigen taalstelling. Nauwelijks bijbels Nederlands, geen notarissentaal, maar een eigengemaakte mengeling van ouderwetsheid en woorden uit haventaal, ambachtstalen en dergelijke. 'Groot-Nederlands'. Dat taalgebruik van de woordkunstenaar HdB is meestal dichterlijk-archaïsch, reto­risch sterk, nogal eens op de rand van het grammaticaal mogelijke, apart in de woordkeus, licht beïnvloed door het Duits, de taal die hem uit Enkhuizen getild had. Af en toe ook gebruikt hij een Enkhuizer woord of een wending uit het Fries. Zodoende is hij soms moeilijk te volgen. Ook zijn zieleroerselen boeien niet altijd. Maar 's mans autodidactische ontwikkeling, op gang gebracht en gestimuleerd door weetgierigheid en werkkracht, heeft het mogelijk gemaakt dat hij überhaupt en origineel kon gaan schrijven, en dat mag bewondering oproepen.
    Denk ook eens aan het pad dat hij zich baande door en langs bijbelse en seculiere boeken en andere ideeëndragers, op weg naar bevrijding. Bevrijding van de kunstenaar HdB uit de omklemming van de in godsvrees opgevoede HdB, die had meegekregen dat kunstenaars verdacht volk waren ; en bevrijding op zijn beurt van deze gereformeerde HdB uit het milieu waarover Van der Leek schreef “Het is werkelijk geen prettige gewaarwording, te overwegen, dat bij een werkelijk bewust aanvaarden van een aesthetische roeping, ons christenvolk nog eenige generaties noodig zou hebben, om van de nawerking van zijn cultuurvijandigheid bevrijd te worden.”
Het aangeboren onvermogen onder de autoriteit van zijn vader uit te komen heeft nauwelijks neerslag in zijn gedichten gevonden. Sommige dingen zijn van alle tijden, andere dingen veranderen – in Heins tijd stonden auto­riteiten onmetelijk veel hoger, konden onbegrijpelijk meer angst inboezemen dan de Nederlander van nu zich nog kan voorstellen. Zijn onmacht om zich t.o.v. zijn vader als een volwassen man te gedragen, was er niet minder pijnlijk om. Autoriteitenvrees was denkelijk ook de reden dat de Bruin zich in de oorlog afzijdig hield. De 'politieke ongrijpbaarheid' die Ter Braak en Du Perron voorstonden, maar door hun overlijden in mei 1940 niet hebben kunnen toetsen aan de werkelijkheid van de oorlog, heeft een andere achtergrond. "Hein de Bruin is de oorlog doorgekomen als toeschouwer" (Heeroma 1946). Jawel, maar in dec. 1941 weigerde hij een aanmoedigingsprijs van ƒ1000 van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, en meldde zich niet voor de Cultuurkamer. Wat hem helaas niet belettte om na het fusilleren van Van der Leek in 1941 beroering te wekken door op te merken "Hij is met Christus, maar niet om Christus gestorven." Hoe haalt iemand het in zijn hoofd! Maar de Bruins gereformeerde vrienden en kennissen waren in hetzelfde 'jezuïtische' denkraam opgevoed, ze begrepen wel wat de Bruin bedoelde met deze karikatuur van Keilsoniaanse objectiviteit, al was hún reactie op het verlies van van der Leek heel anders. Zij zaten in het verzet, terwijl de Bruin het boek Job bevindelijk theologiserend herdichtte en bangelijk tobde met de vraag of de bezetters wel tegengewerkt mochten worden – díe waren nu toch de autoriteiten?# Zijn weinig piëteitvolle uiting werd min of meer vergeven en vergeten, gelukkig herhaalde hij de uitspraak niet in zijn kille in memoriam H. van der Leek in het Herdenkingsnummer van Critisch Bulletin, dec. 1945, maar vrienden had hij er niet mee gemaakt. En dat hij kennelijk zijn prioriteiten in een vreemde volgorde had liggen (al was hij de enige niet) deed mannen als van Randwijk, de Groot en Heeroma enige afstand nemen van de Bruin. Des te meer waardering verdient Heeroma voor zijn terughoudende necrologie na de Bruins overlijden.
    # Ds. Paauwe wees zijn hoorders erop nuchter te zijn en geen haat te kweken. Hoewel sprake was van een bezetting, werd de vreemde overheid toch als overheid door hem erkend. In de ‘Maandelijksche Mededeeling’ van september 1940 werd door de heer Bastmeijer, ongetwijfeld met medeweten van ds. Paauwe, een preek geplaatst van dr. H. F. Kohlbrugge over de verhouding tot de overheid naar aanleiding van 1 Petrus 2:11-17, onder andere de woorden: “Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil”. In deze preek leert Kohlbrugge de gehoorzaamheid van de gelovige aan de overheid ongeacht de regeringsvorm, hetzij “constitutioneel, republiek of despotisme”. “En zo eert hij de koning, hij hete nu Nero of vader zijns volks.”

Maar de hopeloze debatten in dat ontredderde zelf, de depressies, waar hij niet om gevraagd had, het besef dat hij de omnachting inliep, ze geven zijn dichtwerk die intensiteit, die indringendheid, die tot geconcentreerd meelezen nodigen en meeleven oproepen met dit menselijk lot. Heden ik, morgen gij, nietwaar.
    Gelukkig is de eigenheimer "die eens met een klein aantal collega's in een bekend Amsterdams artiestencafé zat en met grote, verschrikte kinderogen om zich heen keek naar dat vreemde wereldje, waartoe hij blijkbaar ook behoorde, zonder het tot zich te kunnen laten doordringen" (Ab Visser) zichzelf gebleven. Hij is niet in de ban geraakt van types van het slag ‘waar is de opener, sprak de dichter’ – dat heeft hij dan toch nog aan zijn opvoeding te danken.
Wanneer men een kunstenaar op zijn beste momenten mag beoordelen, die bij De Bruin naar algemeen gevoelen in zijn poëzie te vinden zijn, kan men het stellig eens zijn met Van der Veen, die zijn fijngevoelige beschouwing (2006) over Hein de Bruin als volgt besluit.
    “Hein de Bruin is een ten onrechte bijna vergeten dichter uit een andere tijd, maar wie hem zonder vooroordeel en met inlevingsvermogen wil lezen, kan getroffen of zelfs geroerd worden door het werk van deze ingetogen dichter die sensitief, zorgvuldig en zonder pose stil zijn werk wilde doen en, onder voor hem moeilijke omstandigheden, deed waar hij het talent voor gekregen had. Een plaats in de grote, algemene bloemlezingen kreeg hij nauwelijks of niet. Als hij daarin een verdiende plaats gevonden zou hebben, dan zou hij daarin zeker niet de minste zijn geweest”.

Zuiderkerk-ZuiderhavendijkEnkhuizen

De Zuiderhavendijk in Enkhuizen (foto). Op de achtergrond torent de met koper beslagen peer op de St. Pancras- of Zuidertoren (1524, 75 m. hoog) boven alles uit. Hein zal dit stadsgezicht ooit hebben willen schilderen.

Kleine steden aan de waterbocht, De Bocht bij het Spui te E.  
waar altijd ons hart naar hunkert,    
waar het steeds herinnering bunkert    
voor de grote tocht. de laatste reis, naar de laatste Haven (Tholen)  
     
Kleine steden tussen wei en wier, weiland / Wierdijk \ Zuiderzee met zoutwaterwier  
blanke wolken om de toren, van de Drommedaris  
en rondom de zee te horen    
achter wal en pier.    
     
Wij varen lichter op die onderstroom, (van herinneringen)  
wij voelen hem in d'avond leven (in de levensavond)  
en in dezelfde reven    
trekken door de droom.    
     
In de gulle dag staat een klein huis,   Uit:
een bloem in 't raam, de deur op kieren.   Verspreide
Als 't hengsel wrikt om de scharnieren   gedichten
spat de zon aan gruis.   1927-1947




Nawoord

De befaamde aanhef van De brief (1942) mag hier niet ontbreken :

Heer God, men komt er niet toe U te schrijven,
ofschoon Gij reeds veel malen aan ons schreeft,
maar al de vormen die Uw handschrift heeft
zijn moeilijk te ontraadselen, zij blijven

zeer vreemde tekenen die niet beklijven
en duistre woorden die men niet beleeft ;
hoe vaak heeft onze hand ernaar gestreefd
de zin te ontleden door U na te schrijven.

Dan toch – een kleine brief aan U gericht,
hij hoeft misschien niet eens zo ver te reizen,
niet verder dan mijn vinger hem verschikt,

want, wonen de gebieders in paleizen,
Uw woonadres is waar Gij nederblikt –
mij dunkt ik zit te schrijven bij Uw licht.

Uit Aquatinta (Hernieuwd herdenken, 1941), de neerslag van een "wederkomst" van de dichter in 'zijn stadje',
waar hij overigens regelmatig te vinden was :

... Ik was dan ’s avonds meestal aan de zeekant,
en later niet meer kleintjes naast mijn vader
nog door twee sterren en een lamp behoed,
maar in een vaste ploeg van kameraden
die redetwistten als er storm op til was,
bij held’re maan bedeesd de liefde prijzend.

..............

Hier buitendijks bevinden zich de weidjes,
de kreken en de kuilen waar zij zaten
gevieren, vijven, in de zomerkoelte ;
waar een het vers voordroeg van Multatuli
"daar is iets schoons te zien op Golgotha", *
een hagepreek van ongewone stichting.
Wij keerden vaker naar diezelfde grond,
alwaar de zee steeds gulzig is en gul.

* "Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist. Daar is iets schoons te zien op Golgotha" (Multatuli).
Door Ferdinand Domela Nieuwenhuis geciteerd in zijn afscheidswoord voordat hij op 17 jan. 1887 wegens 'Majesteits-
beleediging' de militaire gevangenis inging, vrezend voor zijn leven. Na 7 maanden kreeg hij gratie.

Uit de woorden "in een vaste ploeg van kameraden" blijkt dat de groep zich als groep herkende. Deze ‘bent’ van schoolgaande en werkende jongens, begonnen met Lussenburg, Kint, Sietses en Van Doornik, wisselde in de loop der jaren natuurlijk van samenstelling. Ad den Besten maakte in 1972 in Trouw van 10 juni 1972 opmerkzaam op dit groepje, in het gedicht De Visschers, "waarin tenslotte toch, éven, de subjektieve betrokkenheid zich verraadt in het 'wij' van de Enkhuizense schooljongens, die de uitvarende schepen nakijken" :

 

Ze voelden zich in 't grauw getij geknechten,
gedoemden tot den dadenloozen tocht
langs 't lokkend water der bazalten bocht
rond 't wassen van den schemer op de plechten.

Tot op een duist'ren nacht voorbij 't gewrocht
van havenpalen en gebintenvlechten
ze op hun schuit de wankle zeilen rechtten
en elk de vlucht der vrije winden zocht.

Nu, elken wazen uchtend, trekt hun zwerm
voorbij den dommel der verdoken steden
naar 't overzeesche schimmenrijk der zon.

Als wij, geklommen langs den luwen berm,
't omzwalpt terras der wijde zee betreden,
slaan zij hun vlerken op den horizon.

"Ze" (r. 6) zijn de zeelui, "hun zwerm" de schepen. "Overzeesche zon" : Enkhuizen ziet de zon over zee opkomen.
Bert van der Veen realiseerde zich dat de groep al eerder bestond, kon namen noemen, en muntte met ‘Bentveugels van Enkhuizen’ een toepasselijke naam voor die aankomende artiesten van diverse pluimage. Gemeenschappelijke eigenschappen van deze vogels waren dat ze – met een kleine woordspeling – ‘bevlogenen’ waren, dat ze het talent hadden, ieder op zijn terrein, om het ver te brengen, en dat ze, uitgevlogen uit Enkhuizen, een sterke binding hielden met het nest waar ze opgegroeid en gevormd waren.
    Het valt op dat De Bruin voor de titel van het slotdicht van Hernieuwd Herdenken het Duitse woord Aquatinta gebruikt, en dat het in de inhoudsopgave van de druk cursief gedrukt is, terwijl alle andere titels romein gedrukt zijn. Buningh is zonder twijfel op de achtergrond aanwezig. Een aquatint is het resultaat van een etstechniek die een wat minder scherp gesneden (‘verschwommen’), warmer ogende afdruk geeft. Bepaalde onderwerpen vragen er om, bijvoorbeeld nostalgische. De Bruin wist dat uiteraard. Met de titel bedoelt hij dat hij dit deel van zijn Enkhuizer verleden (zijn kameraden, niet zijn ouderlijk huis) niet ziet door de vervagende nevel van de verstreken jaren, maar door een waas van warme gevoelens, ontroering, zo men wil. Het binnengaan in deze herinneringsbeelden, en vooral het schilderen ervan, had op De Bruin die – helaas steeds tijdelijke – helende uitwerking waar zijn vriend Heeroma van spreekt. "Al eerder had De Bruin de weg naar de jeugdherinnering ontdekt als de weg der bevrijdende verbeelding : in de vorige bundel Hernieuwd Herdenken waren het de beide lange gedichten Aquatinta met hun helder en verheerlijkt beeld van de jeugdstad Enkhuizen die ons het meest troffen en die het meest definitief de dichter representeerden" (Heeroma 1946).
    Zie de volgende regels uit hetzelfde Aquatinta, een tweedelig dichtwerk waarvan elk deel 101 verzen telt. (Symmetrie is de proportie 1 : 1, kennis en beheersing van proporties behoort tot het gereedschap van de kunstenaar.) Het getal 100 duidt volledigheid aan, niets meer te wensen, maar de Bruin gooit er een schepje bovenop : de 101 van overvloed, vgl. 1001 Nacht.

De Bruin schreef zijn vermoedelijk laatste vers, Regen te Bussum, kort voor zijn dood in 1947, mogelijk na een bezoek aan uitgever Kroonder, geciteerd naar KOMPAS der Nederlandse Letterkunde (1947), bijdragen en foto's van 126 Nederlandse schrijvers, onder redactie van Clara Eggink, J. C. Bloem, C. J. Kelk, Ed. Hoornik en Ad. Morriën.
Bij Hazeu 1976 luidt de aanhef "Dit is te Bussum, . . ."

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Regen te Bussum

Dit is in Bussum, dat ik amper ken,
waar ik de weg niet weet en dus verdwaal,
en wandelend verander andermaal
tot wie ik was, tevoren, en niet ben

nu ik de man naast mij, uit mij, herken,
verscholen en voortvluchtig : dit verhaal
van bijna woorden en ten naaste taal
die mij reeds boeit, doch waar ik niet aan wen.

Want eeuwig ruist de regen in het lommer
van tuinen om een huis waar niemand woont,
tenzij ikzelf daar intrek, mij bekommer

om wie hier buiten hunkert en betoont,
hoe vreemd hij werd, verbijsterd en onwijs,
wanneer het regent in zijn paradijs.

- - - - -

Herdenkende dat niets zo wederkeert
zo 't was toen ik niet zijn kon wat ik werd,
of, om het raadsel anders te omsing'len,
doch zonder dat het zijn geheim verliest :
dat geen moment gelijk is aan het voor'ge,
elk ogenblik is nieuwe werk'lijkheid,
ervaarbaar wijl zij zich op slag verandert,
en weder wiss'lend als belevenis –
komt er een nevel om mijn lustig' ogen,
maar die mijn geest verdicht tot vastigheid.

Werk
- Het ingekimde land. Gedichten. Uitg. Mij. Holland, Amsterdam, 1932. (Het jaar van de voltooiing van de Afsluitdijk.)
- Wat blijft. Roman. Daamen, Den Haag, 1934.
- De wondere weerstand. Novelle. In: Het heerlijk ambacht. Uitgave t.g.v. het eerste lustrum van de Christelijke Auteurskring 1929-1934. G. F. Callenbach, Nijkerk, 1934, 3e druk, p. 136-145.
- Schalm en scharnier. Geschreven 1935. J.H. Kok N.V., Kampen, 1936.
- Werk. Het boek der Jong-Protestantsche letterkunde onder redactie van Jan H. Eekhout. Daamen, den Haag, 1936. Hierin : Hein de Bruin, De passagier (kort verhaal).
- Man en macht
. Twee verhalen : Driehoog tot drieduizend & Commissie van vier. Elckerlyc-boekjes no 2, Bosch & Keuning, Baarn z.j. [1938]. Illustr. Anton Pieck.
- De verborgen omgang. Romanfragmenten 1936-1940, deels – in de nieuwe spelling – gepubliceerd in Ontmoeting, Letterkundig en algemeen-cultureel maandblad. Hein de Bruin nummer, 4e jg no. 9, juni-juli 1950, pag. 419-450.
- De Wonderbare Tweestrijd. Bevat de Nederlandse overzetting van La Corona [7 sonnetten] & Holy Sonnets [19 sonnetten] van John Donne door Hein de Bruin, Fedde Schurer, Gabriël Smit, Pieter Venemans en Theun de Vries. Alsmede vier sonnetten van Gabriël Smit, Fedde Schurer, Hein de Bruin en G. K. v. d. Heijden [pseudoniem?]. Marnix-Pers, Amsterdam,1939. Oplage 50 exx., "uitsluitend bestemd voor de vertalers en hun vrienden", 40 pp.
Hernieuwd herdenken. Gedichten. Uitg. Mij. Holland, Amsterdam, 1941.
- 't Rad der Geboorte. Novelle. Daamen, Den Haag, 1941. Illustr. Henk Krijger.
- De brief, Gedicht, bestaande uit negen sonnetten. Clandestiene uitgave (1942), zonder auteursnaam en uitgever, herdrukt in Ebben en Ivoor.
- Van kracht tot kracht. Met een tekening van Toon van Ham. Schildpad-reeks no. 8, J. Romijn, Utrecht, zomer 1943, Clandestiene uitgave.
- Ebben en Ivoor. Gedichten: acht sonnetten, De Brief, drie nagedichte sonnetten van Shakespeare en drie vrije gedichten van Rilke. Bayard Press, Amsterdam, maart 1945, half-clandestiene uitgave.
Job. Bosch & Keuning, Baarn, 1943. Herdichting naar het gelijknamige Bijbelboek. Illustr. Henk Krijger. Een tweede druk verscheen zonder ill. bij Bosch & Keuning, 1954, pocketformaat.
- Juliaan en Maddalo (1946). Vertaling van Shelley's Julian and Maddalo. Bayard Reeks. F. G. Kroonder, Bussum, 1946.
- Verspreide gedichten, verzameld in Hazeu 1976 (zie onder Litt.).

Litt. (chronologisch - keuze)
Top Naeff, H. de Bruin, Man en Macht. Boekbespreking in Elsevier's Geïllustreerd Tijdschrift 1938 I, p. 211-212.
Klaas Heeroma, Overpeinzingen van een toeschouwer. In: Critisch Bulletin, maart 1946, p. 101-104.
Ontmoeting. Letterkundig en algemeen-cultureel maandblad. Hein de Bruin nummer, 4e jaargang nr. 9, juni-juli 1950 :

   Klaas Heeroma, Levensbericht. Pag. 387-390.
   Klaas Heeroma, Hein de Bruin in gesprek. Pag. 405-411.
   Henk Krijger, Hij en Ik. Pag. 412-418.
Ab Visser, Leven van de pen. Klein mausoleum. Den Haag, Kruseman, 1965.
Dr. J. J. Buskes, Vier vrienden. Hein de Bruin, Henk van Randwijk, Willem Banning en Fedde Schurer. Apeldoorn, Semper Agendo, 1971.
Wim Hazeu, ‘Inleiding’, in: Hein de Bruin, Het ingekimde land en andere gedichten, verzameld en ingeleid door Wim Hazeu (Baarn 1976), p. 5-20. Het ingekimde land, John Donne, De wonderbare tweestrijd, Ebben en ivoor, Hernieuwd herdenken, Verspreide gedichten 1927-1947. Alles in nieuwe spelling.
Gert Peelen, Vergeten dichters. In: VU-magazine jg 12/9, oct. 1983, p. 331-346.
Jeroen Brouwers, De laatste deur. Essays over zelfmoord in de Nederlandse letteren. Synopsis. De Arbeiderspers, Amsterdam, 3e druk febr. 1984, p. 347-367 en passim.
Sjoerd Leiker, Eerherstel voor de dichter Hein de Bruin. In: Hervormd Nederland, 22 aug. 1987.
Opwaartsche Wegen. Schrijversprentenboek 28. Eindredactie M. Salverda. Nederlands Letterkundig Museum en Docu­mentatiecentrum, Den Haag 1989.
Truus Ruiter, Geen domineesgerijmel over de zonde. Bespreking van de expositie over Opwaartsche wegen in De Volkskrant van 20 mrt. 1989.
Lisette Lewin, Het clandestiene boek 1940-1945. Van Gennep, Amsterdam, 1983. Tweede druk.
Sjoerd Leiker, Eerherstel voor de dichter Hein de Bruin. In: De Waterklok, De Bezige Bij, Amsterdam (1991), p. 129-137. Verzameling artikelen van Leiker met Nawoord van Wim Hazeu.
Dirk Zwart (red.), Hein de Bruin-themanummer van Bloknoot, I, 2 (mei 1992).
Maarten Stigter, Hein de Bruin (1899-1947). Een christen-dichter en het oeuvre van zijn paradox. Doctoraalscriptie Universiteit Utrecht, 1995.
Gert J. Peelen, Hein de Bruin (1899-1947). Dichter tussen wal en schip. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, jg. 4 (1996).
Bert van der Veen, Bentveugels van Enkhuizen. Vereniging Oud-Enkhuizen 2006.
Cor Kint. Leven, werk en omgeving. www.corkint.info pagina Harmen van der Leek (Thijs Kramer).
www.xs4all.nl/~ednieuw/HeindeBruin. Website Hein de Bruin, dichter en prozaschrijver (Ed Nieuwenhuys).

Tijdens zijn leven is De Bruin bij mijn weten alleen bij Bosman en Buddingh' in een eersteklas omgeving gebloemleesd, met Illustratie uit Het ingekimde land, in Twee recht twee averecht (1942, Plejaden Reeks 2e serie nr. 9). Nijhoff, Greshoff, Marsman, Elsschot, Vasalis, Haasse, Achterberg en anderen van dat kaliber houden hem gezelschap. Meer bloemlezingen in Nederlandse Poëzie Encyclopedie, nederlandsepoezie.org/dichters/b/bruin_hein_de.html.

Men ziet in oorlogsherinneringen af en toe afgedrukt een gedicht, getiteld "Afscheid der Joden" of "Afscheid der Joden van Nederland" van "de heer de Bruin" dan wel "H. de Bruin". Het betreft hier niet Hein de Bruin. ‘‘De Bruin’’ was een schuilnaam van de ondergedoken journalist mr. Sem Davids.

Hein de Bruin refereerde in zijn werk herhaaldelijk aan zijn woonomgeving. Hier volgen zijn woonadressen in Amsterdam.
  5 nov. 1920 Frederik Hendrikstraat 94 (3h), vestiging in Amsterdam vanuit Enkhuizen.
  2 dec. 1920 Jacob Catskade 12 (1h), aan het water.
  Deze twee adressen liggen vlakbij de woning van Cor Kint aan het Frederik Hendrikplantsoen. Het waren vermoedelijk kosthuizen. Op 8 juni 1922 trad Hein in het huwelijk. Het echtpaar verhuisde in 7 jaar vier keer, in die tijd normaal bij het grote huizenaanbod en het weinige huisraad :
  21 juni 1922 Chasséstraat 103 (3h).
  10 febr. 1923 Sportstraat 58 (hs).
  1 febr. 1926 Sportstraat 60 (1h).
  11 dec. 1930 Stadionweg 290 (3h).
  31 januari 1931 Stadionweg 324 (3h).

De adressen van zijn ouders, Gerben de Bruin en Antje Bijlsma waren :
  12 april 1926 Hudsonstraat 38 (2h), vestiging in Amsterdam vanuit Enkhuizen.
  18 febr. 1928 Crynssenstraat 26 (1h).
  1 juni 1929 Sportstraat 62 (hs).
Hein's moeder, Antje Bijlsma, is overleden te Amsterdam op 15 maart 1946. Gerben de Bruin vertrok naar Leeuwarden op 29 aug. 1947, dus vlak na het overlijden van Hein. Hij overleed 6 april 1975 en is begraven te Huizum bij zijn tweede vrouw IJke Haitsma.

- (5) De Bruins opdracht in Ebben en ivoor "voor Pierre van Hein / A'dam 16-8-45" betreft W.A.P. Smit (Wisse Alfred Pierre Smit, 1903-1986), schrijver en publicist, later hoogleraar Neerlandistiek in Utrecht.

 



Hein de Bruin - Kerkgebouw

9. Hein de Bruin, Kerkgebouw. Olieverf. Lijkt op de gereformeerde kerk in Ouderkerk a/d Amstel aan het Hoger-Einde Zuid. Aan de andere kant van de Amstel, over de brug, woonde Harmen van der Leek. De kerk is afgebroken, de toren hoort bij het beschermd dorpsgezicht. — Op de site van Ed Nieuwenhuys komt de waarheid aan het licht : het gaat om een kerk in Hollum op Ameland.


Op www.xs4all.nl/~ednieuw/HeindeBruin is nog een schilderij 'Zeilschepen op zee' te vinden, dat de havenmonding bij de vuurtoren van Enkhuizen lijkt voor te stellen.



2. Zeilboten gezien vanuit de haven van Enkhuizen, 1944.

Zuiderkerk-ZuiderhavendijkEnkhuizen

Hein de Bruin. Onbekend stadsgezicht in Nederland.


« —– »

Terug naar boven